‘Met kunst kun je de wereld hervormen’

Directeur van de Guggenheim Foundation Richard Armstrong wil een Guggenheim bouwen in de Finse hoofdstad Helsinki. „Voor een museum in China is het veel te vroeg.”

New York, Venetië, Bilbao, Abu Dhabi en … Helsinki. Zou dat, over pakweg vijf jaar, het rijtje steden zijn waar de naam van het Guggenheim Museum onlosmakelijk mee verbonden is? Wat Richard Armstrong betreft wel. Zijn voorganger sloot in 2006 een contract met Golfstaat Abu Dhabi om een nieuw museum daar te beheren, de huidige directeur van de Guggenheim Foundation wil zijn imperium dolgraag uitbreiden naar de Finse hoofdstad. Een Guggenheim in Helsinki zal, zo voorspelt hij, met 500.000 bezoekers per jaar een enorme stimulans betekenen voor de Finse economie. „Weet je wat ik voor me zag, toen ik gisteravond door Helsinki dwaalde? Een gebouw dat oplicht als een kwal, dat doorschijnend is, lenig en organisch, en dat zo nu en dan kan steken.”

Vorig jaar mei stemde een krappe meerderheid van Helsinki’s gemeenteraad tegen het project. Tegenstanders vonden de jaarlijkse kosten van circa 5 miljoen euro die de Finse hoofdstad aan het museum zou moeten bijdragen te hoog. Maar burgemeester Jussi Pajunen is een groot voorstander. Dus ligt er nu een tweede plan. De kosten zijn nu 10 procent lager ingeschat. Armstrong: „Ik ben nog steeds vast van plan om dit door te zetten.”

Waarom Helsinki?

„De meest voor de hand liggende reden is dat Finland dichtbij Rusland ligt. Maar Helsinki Airport is ook een belangrijke toegangspoort naar Azië, dus aantrekkelijk voor Japanners en Chinezen. Daarbij beschikt Helsinki over goed openbaar vervoer, een grote creatieve sector. Maar om zo’n stad bekend te maken in de rest van de wereld is een katalysator nodig. En ik denk dat wij die kunnen zijn. Daarbij: Finland heeft een goede politieke leider.”

Is dat belangrijk voor u?

„Jazeker. Ik vind dat er in de Amerikaanse samenleving veel te grote contrasten bestaan tussen rijk en arm en de toegang tot bijvoorbeeld onderwijs. Kunsteducatie is voor ons museum heel belangrijk. En ik denk dat samenwerking met een egalitaire maatschappij als de Finse een positieve uitwerking kan hebben op onze zeer vermogende Amerikaanse bestuursleden. Ook de Finse ideeën over natuur, ecologie en duurzaamheid spreken mij erg aan.”

Richard Armstrong (Kansas City, 1949) is sinds 2008 directeur van het New Yorkse Guggenheim Museum en de stichting die verantwoordelijk is voor de Guggenheim-musea in de rest van de wereld. Voorheen werkte hij als curator bij het Whitney Museum en was hij directeur van het Carnegie Museum in Pittsburgh.

Hij is één dag in Amsterdam, waar hij relaties rondleidt door het depot van het Stedelijk Museum. Armstrong was in de jaren tachtig een van de oprichters van het MOCA in Los Angeles, en uit die jaren aan de Amerikaanse westkust kent hij Stedelijk-directeur Ann Goldstein. Als ze voorbijloopt, trekt hij een gekke bek naar haar.

Wat vindt u van het nieuwe Stedelijk?

„Ik ben enorm blij dat het weer open is. Dat het museum zo lang dicht was, voelde als hongersnood. Voor Amerikanen heeft het Stedelijk een bijzondere betekenis. Zoveel jonge Amerikaanse kunstenaars hebben hier voor het eerst hun werk kunnen tonen. In de jaren zestig en zeventig kwam ik hier vaak. En vanuit Amsterdam trok je dan door naar Eindhoven, Düsseldorf en Keulen. Nu heeft Londen die rol van kunstcentrum overgenomen. Maar als stad vind ik Londen ontoegankelijk. Amsterdam is veel praktischer.”

Kan het Stedelijk die internationale positie weer terugkrijgen?

„Zeker. De tentoonstelling van Mike Kelley is heel goed ontvangen. We zijn nu bezig met een gezamenlijke expositie over Zero. Ik voel het als een enorme eer om samen te kunnen werken. En ik benijd jullie publiek. Nederlanders zijn zo superonafhankelijk en nieuwsgierig. Ze zijn hoogopgeleid, bereisd, veeleisend – ze zijn alles wat je in een publiek zoekt.”

Heeft u ooit overwogen om een Guggenheim Museum in Nederland te beginnen?

„Een jaar of vier geleden werd ik benaderd door een groep investeerders – onwaarschijnlijke partners, maar het klikte. Ik heb toen ook met de Amsterdamse wethouder van cultuur gepraat. Uiteindelijk liep het plan op niets uit.

Voor ons is het niet slim om naar een stad te gaan die al zo’n ontwikkelde infrastructuur heeft voor hedendaagse kunst. Daarom was Bilbao destijds zo interessant. Die stad had een goed museum, maar het publiek was nog heel provinciaal. Dankzij het gebouw van Frank Gehry en de Guggenheimnaam heeft Bilbao een nieuwe trots gekregen en is de stad wereldser geworden. Nog steeds trekt het museum 900.000 bezoekers per jaar. Dat is ongelofelijk voor een stad met 1,2 miljoen inwoners.”

Moet een museum als het uwe wereldwijd actief zijn, door de globalisering van de kunst?

„Het Guggenheim wil geen koloniale grootmacht zijn, maar bijdragen aan een grotere, universele kunstwereld. We moeten het juk van het modernisme afschudden en werken aan een toekomst die ook nadrukkelijk niet-westers is. Daarom hebben we nu curatoren voor Chinese en Latijns-Amerikaanse kunst aangesteld. En uiteindelijk komen er ook aanstellingen voor Afrika en het Midden-Oosten.”

Betekent dit dat u ook met lokale kunstenaars wilt samenwerken?

„Altijd. Dat is de taak van ieder hedendaags museum. Kunstenaars zijn ons belangrijkste publiek.”

Heeft u ook interesse om in China een museum te starten?

„Statistisch gezien heeft China een gigantisch publiek. Maar de kunstmarkt is er nogal xenofoob, verzamelaars kopen vooral Chinese kunst. Onder Mao zijn lange tijd alle kunstenaars, denkers en excentriekelingen geëlimineerd. Het kost generaties daarvan te herstellen. China is een land met een rijke geschiedenis, maar ook met een recent verleden dat gitzwart is. Ik voel zeker dat wij daar als Guggenheim Foundation een taak hebben. We steunen de lokale kunstgemeenschap, we kopen Chinese kunst aan en waren de eersten die de online petitie tekenden om Ai Weiwei vrij te krijgen. Dat laatste heeft bij de autoriteiten kwaad bloed gezet. Dus nee, voor een museum in China is het nog te vroeg. Dat gaat tijdens mijn leven niet gebeuren.”

Zelf groeide hij niet op met kunst, vertelt Armstrong. „Ik kwam uit Kansas City, een stad waar mensen die er anders uitzagen werden nagestaard. Mijn vader had graag gezien dat ik architect geworden was, want dat had hij zelf willen worden. Zelf dacht ik meer aan de journalistiek, of de politiek.”

Maar toen werden, in 1968, kort na elkaar Martin Luther King en Robert Kennedy doodgeschoten. Gedesillusioneerd vertrok Armstrong op zijn achttiende naar Europa, waar hij aan de Sorbonne in Parijs ging studeren. „Ik woonde in Parijs, was omringd door kunstenaars, en wat kon je anders dan musea bezoeken? Dus dat deed ik. De politiek en de rechtspraak hadden voor mij afgedaan, in kunst zag ik een manier om de wereld te hervormen.

„Toen ik 22 was, keerde ik terug naar New York om een opleiding als curator te volgen bij het Whitney Museum. Om geld te verdienen werkte ik als assistent van twee kunstenaars, Al Held en Nancy Graves. Mijn vader riep steeds, bij het invullen van mijn belastingaangifte: ‘Dit is de duurste hobby die ik ken. Wanneer ga je nu eens je eigen brood verdienen?’ Maar voor mij was niet van belang of ik een nieuwe Audi had, maar welke nieuwe tentoonstelling ik had gezien. Curator zijn betekende voor mij een stem geven aan de generatie kunstenaars waarmee ik opgroeide.”

Wat is volgens u de rol van het museum?

„Het Guggenheim is altijd een museum geweest dat sociale verandering voorstond. Onze oprichtster Hilla von Rebay geloofde dat abstracte kunst het gedrag van mensen kon veranderen. Toen ik werd aangesteld, heb ik tegen het museumbestuur gezegd dat we het museum weer zo radicaal moesten maken als in het begin.”

Radicaal op welke manier?

„In de relatie die je aangaat met kunstenaars. Wij zijn geen overkoepelend, omnivoor museum als het MoMA. Wij zijn veel kleiner, en gaan met veel minder kunstenaars een veel diepere relatie aan. Onze laatste tentoonstelling van James Turrell was echt een enorme krachtsinspanning. En vorig jaar was er de fantastische expositie over de Japanse kunstenaarsgroep Gutai, die liet zien hoe je als avant-gardekunstenaar te werk kunt gaan in een land dat door militarisme en twee atoombommen verwoest is. De Zero-tentoonstelling zal ook deels over de destructie na de Tweede Wereldoorlog gaan, maar dan vanuit een Europees perspectief. Hoe kan het dat een klein groepje Duitse, Nederlandse en Franse kunstenaars toen werk heeft gemaakt dat vandaag de dag nog zo actueel is?”

Hoe zal de museumarchitectuur veranderen in de 21ste eeuw?

„Een nieuwe functie is sociale interactie. Er zijn niet veel plekken meer waar mensen zo openlijk hun ideeën uitdragen. Vroeger was dat de taak van kerken en synagogen. In Abu Dhabi bouwen we een museum dat het gevoel geeft of je een stad binnenkomt. Een echte ontmoetingsplaats. In Abu Dhabi is naast shoppen niet veel te doen. Maar straks is er dat fantastische museum. Een plek waar het niet gaat om het uitruilen van geld.

„Musea zullen steeds meer buiten hun eigen grenzen moeten treden. Wij experimenteren bijvoorbeeld met pop-uparchitectuur. In de afgelopen jaren reisde ons BMW Guggenheim Lab van New York naar Berlijn en Mumbai. Laten we de echte wereld intrekken.

„Natuurlijk, een nieuw museumgebouw is belangrijk. Het is bekend dat mensen graag op zo’n krachtige architectonische expressie van hun tijd afkomen. Maar ik wil geen heerser zijn over een verzameling vastgoedobjecten. Wat ik wil is dat mensen zich gaan afvragen wat zij belangrijk vinden, dat ze nadenken over hun verleden en zich verbonden voelen met de creatieve geschiedenis van de mensheid. Wat ik probeer is als burger op te staan en te zeggen: ja, cultuur is van een onschatbare waarde in ons leven.”

    • Daan van Lent
    • Sandra Smallenburg