Jaren tachtig waren een broeikas

In het Dordrechts Museum wordt de Nederlandse schilderkunst uit de anarchistische jaren tachtig subliem tot leven gewekt.

Han Schuil, Zonder titel 1985. 132 × 121 cm. foto Collectie Lampe-Plompen.

Wij zijn de Generatie Nix – en dat ‘Nix’ dragen we in de jaren tachtig van de vorige eeuw als geuzennaam. We zijn anti. Anti-Luv, anti-Reagan, anti-Thatcher, anti-Vogeltjesdans, anti-neutronenbom, anti-macho’s, anti-watjes, anti-disco. We hebben geen toekomst omdat er geen banen zijn, geen woningen, en omdat een mysterieuze ziekte – aids – rondwaart. De Koude Oorlog is op zijn koudst. En de Bom kan aan alles onmiddellijk een einde maken. We besluiten dat we maar beter kunnen doen waar ons hart het hardst naar uitgaat. Dus studeren we middeleeuwse geschiedenis, Russische filmkunde, politicologie. We breien Mondriaantruien tijdens colleges andragologie, houden kraakspreekuren en zetten onze eigen expositieruimtes op. Omdat niemand iets voor ons doet, doen we het zelf. En met succes.

Het is die sfeer van deels grimmig, deels vrolijk anarchisme dat op de prachtige tentoonstelling Stop Making Sense in het Dordrechts Museum wordt gevierd. De expositie – vernoemd naar de film van Jonathan Demme uit 1983 over een optreden van The Talking Heads – kust de Nederlandse schilderkunst uit de jaren tachtig van de vorige eeuw in al haar verscheidenheid weer tot leven. Alleen de schilderkunst omdat die kunstvorm na decennialang te zijn doodverklaard en weggedacht door minimale, conceptuele en fundamentele kunst, in de jaren tachtig weer ferm de kop opsteekt.

Alle wetten die het modernisme zo rigoureus heeft opgesteld, worden overboord gekieperd. Op naar een ‘platte’, steeds verder abstraherende schilderkunst, zoals de Amerikaanse criticus Clemens Greenberg het in de jaren zestig voorschrijft? Woeste schilders als Peter Klashorst en Bart Domburg – vers van de Rietveld Academie – maken van die vraagstelling gehakt, zo is te zien in Dordrecht. De vitaliteit, het engagement én kennis van de kunsthistorische traditie spat van met name Domburgs grote, figuratieve doeken af. Zijn Achilles tegen de Russen (1981) is een soort punkvariatie op Anselm Kiefers zware Vergangenheitsbewältigung. Domburgs jonge Achilles gaat met een honkbalknuppel vrolijk alle symbolen van Oost en West te lijf.

De jong gestorven Erik Andriesse is ingetogener. Hij begint na een stage bij de Duitse figuratieve schilder A.R. Penck doodleuk zonnebloemen te schilderen en in karton uitgezaagde en beschilderde skeletten van dieren tentoon te stellen. Het is nog steeds makkelijk voor te stellen dat Andriesses werk in de jaren tachtig een sensatie in de kunstwereld veroorzaakte. Iedereen heeft er een mening over: van hardcore abstract tot decoratief en figuratief.

Hetzelfde geldt voor Rob Scholte – eind jaren tachtig uitgegroeid tot de Gordon Gekko van de Nederlandse kunstwereld. Scholte veegt de vloer aan met begrippen als oorspronkelijkheid en vooruitgang. De Schreeuw – een schilderij uit 1985 van een opdraai-clown die De Schreeuw van Munch naschildert – is behalve beroemd ook een beginselverklaring van het postmodernisme. Scholte spreekt met zoveel virtuositeit en lef, dat je nu nog steeds met bewondering terugkijkt.

En er zijn nog zoveel meer goede kunstenaars op deze tentoonstelling: bekende en onbekende. Graffitiartiesten en atelierschilders, conceptuele kunstenaars en schilders die uit principe alleen nog maar ‘foute’ ornamentiek nastreven. Samenstellers van Stop Making Sense zijn conservator Gerrit Willems en schilder Han Schuil, die zelf ook in die jaren opkwam met op blik geschilderde geometrische vaandels.

Schuil en Willems verdienen alle lof omdat deze tentoonstelling makkelijk had kunnen ontaarden in pure nostalgie of een hutspot van kunstenaarsvrienden. Dat is Stop Making Sense niet geworden. De tentoonstelling is even uitgebalanceerd als frivool. Ze is diepgaand en toch toegankelijk, mede dankzij de schitterende film van Annemarie Strijbosch en de catalogus vol anekdotes en essays die de tentoonstelling begeleidt.

Stop Making Sense maakt inzichtelijk wat we toen niet zagen omdat we er te dicht met onze neus opstonden. Dat de zo vaak verguisde jaren tachtig juist een broeikas vormden waar kunstenaars als Marlene Dumas, René Daniëls en Rob Scholte tot supersterren konden uitgroeien. Maar niet zonder de hulp van vele anderen.

Groot is dan het contrast met een tentoonstelling die een kleine veertig kilometer verderop is te zien, in het Stedelijk Museum Schiedam. Ik hou van Holland is een met veel publicitaire poespas opgezette tentoonstelling over naoorlogse kunst in Nederland. Ik Hou van Holland belooft een overzicht te zijn van wat naoorlogse kunstenaars in Nederland bewoog – per decennium – en heeft dit in de maatschappelijke context geplaatst. In de praktijk betekent het een plichtmatig parcours vol al vaak in Schiedam vertoonde ‘iconen’ – van CoBrA tot Dumas, van het verfijnde idealisme van de Nulbeweging tot het nihilisme van Joep van Lieshout. Werk van deze kunstenaars wordt begeleid door compilaties van polygoonfilmpjes. Van het bombardement op Rotterdam zoeven we in een tiental seconden naar de Slag om Arnhem en naar CoBrA.

Niets wordt in Schiedam verduidelijkt, behalve de clichés: die worden nogmaals breed uitgemeten. Niets wordt in een nieuwe context gezet. Geen kunstwerk wordt in het licht van de jaren die zijn verstreken bekeken, laat staan dat iets duidelijk wordt van de mentaliteitsverschuiving rondom hedendaagse kunst die in Nederland optrad, al was het langzaam. Niemand heeft er in Schiedam aan gedacht om samenwerking met andere instellingen te zoeken waar een megaproject als dit om vraagt. Althans: wil je er iets van diepgang en belang aan hechten. Was dit gebeurd, dan hadden we in Schiedam de komende twee jaar onze ogen uitgekeken en net als in Dordrecht gedacht: wat bijzonder dat dit allemaal bij ons om de hoek is ontstaan en gemaakt.

Stop Making Sense. T/m 20 jan 2014. Dordrechts Museum. Catalogus: 24,95. Ik hou van Holland. T/m 6 sept 2015, Stedelijk Museum Schiedam. Gidsje: 7,50