Georges Braque: in en uit Picasso’s schaduw

Centre Pompidou, Dist. Rmn-Grand Palais/ Adagp, Paris 2013

Als de Franse schilder Georges Braque eind 1907 kennismaakt met Pablo Picasso is zijn lot bezegeld. In artistieke zin omdat Braque, na enig impressionistisch werk en een paar jaar fauvisme, na het zien van Picasso’s (proto)kubistische Les Demoiselles d’Avignon steil achteroversloeg en een innige samenwerking begon. „Het is alsof hij ons petroleum wil laten drinken om vuur te spuwen”, zou hij over het liederlijke doek gezegd hebben.

Maar ook carrièretechnisch: Braque, die de patron van het kubisme is genoemd, zou altijd in Picasso’s schaduw blijven. Hij werd bij zijn overlijden in 1963 weliswaar geëerd met een staatsbegrafenis omdat de Franse minister van Cultuur, André Malraux, vond dat zijn land eerder in gebreke was gebleven bij de eenzame dood van Vincent van Gogh. Maar het laatste grote retrospectief van Braque in Frankrijk dateert alweer van veertig jaar terug. Meestal hangt zijn werk naast dat van de belangrijker geachte Picasso.

Daar brengt het Grand Palais vijftig jaar na zijn dood verandering in. 238 schilderijen, tekeningen, sculpturen en gravures zijn chronologisch bijeengebracht om de vele wendingen in het grillige oeuvre van Braque te doorgronden en de „Franse schilder par excellence” (aldus de samenstellers) enig eerherstel te geven. Hij is, zei curator Brigitte Leal (onderdirecteur van Centre Pompidou) in een interview, als introverte, muzikale intellectueel die samen projecten ondernam met zijn vriend componist Erik Satie, misschien zelfs eerder een „anti-Picasso”. Het merendeel van de naar Parijs gehaalde werken bestaat uit onbekender werk van de jaren na hun samenwerking.

De tentoonstelling begint met een aantal vroege, helder gekleurde landschappen uit 1906 in L’Estaque (bij Marseille) uit de korte tijd dat hij in de ban was van Cézanne. Twee jaar later, na de ontmoeting met Picasso, keert hij naar de Provence terug en komt hij uit L’Estaque met volstrekt ander werk thuis: het traditionele perspectief verdwijnt, de kleuren zijn meer ingetogen, de beelden geometrischer. Als in 1908 de beroemde galeriehouder Daniel-Henry Kahnweiler Braque een eerste solo-expositie gunt, spreekt Matisse (overigens niet direct vleiend bedoeld) als eerst van petits cubes – en daarmee van het kubisme.

In de daaropvolgende jaren van steeds abstracter ‘analytisch’ en ‘synthetisch’ kubisme, werken Braque en Picasso samen als een „touwgroep in de bergen”, zei Braque later. Komt Picasso met collages, dan volgt Braque met ‘papiers collés’, waarbij de opgeplakte stroken (kranten)papier zelf vorm toevoegen. Maar als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt en Braque zich aanmeldt om te vechten, breekt het duo op. „Ik heb Braque naar het station gebracht en hem nooit meer teruggezien”, zei Picasso hierover.

Met een zware hoofdwond, waardoor hij een tijdje zijn gezichtsvermogen kwijt was, keerde Braque vanuit de loopgraven terug naar zijn atelier. Daar kreeg kleur weer een prominenter plaats in de vele stillevens die door de internationale kunstwereld destijds maar moeilijk begrepen werden.

De rest van zijn leven volgen steeds complexere studies, stillevens vooral, biljarttafels, ateliers en veel omineuze vogels. De vogels belanden, in opdracht van cultuurminister Malraux, ook op het plafond van een zaal in het Louvre, het museum waar hij als eerste nog levende kunstenaar in 1961 mag exposeren. Zijn laatste grote werk, La Sarcleuse (1963), is een sombere ode aan Vincent van Gogh.

Als het mooie en complete overzicht in het Grand Palais iets toont, dan is het de drang van Braque om tot zijn dood te blijven vernieuwen. Daar had hij Picasso niet voor nodig.

    • Peter Vermaas