‘Engelsche jongkerels’ met groot succes in Nederland

Ooit in ons land immens populair, nu vergeten. Cabaretier Diederik van Vleuten en historicus Menno Wielinga onttrekken het Britse soldatenrevuegroepje de Timbertown Follies (1915-1918) aan de vergetelheid.

The Timbertown Follies, ca 1916 Foto Collectie Diederik van Vleuten

De recensent van de Nieuwe Rotterdamsche Courant maakte op 22 november 1915 melding van „een tip-top aangeklede, voortreffelijk gezongen, beschaafd gespeelde tingel-tangelvertooning”. Hij prees „de frissche buitenluchtgezichten” en „de typisch Engelsch gesneden koppen dier slanke jongkerels”. En hij besloot: „De Timbertown Follies van deze geïnterneerden [...] zijn zóó, rasecht, uit Engeland geïmporteerd door de grillige fortuin van den oorlog – en doen heusch een paar uur lang de bloedige werkelijkheid vergeten, waardoorheen deze jongkerels tot ons gekomen zijn.”

Zo goed als niemand weet nu nog wie de Timbertown Follies waren. Tot de heel weinige uitzonderingen behoort cabaretier Diederik van Vleuten, die in zijn voorstelling Buiten schot over de Eerste Wereldoorlog vertelt. En daarbij over de Timbertown Follies. Hij zingt zelfs een liedje uit hun repertoire: het aanvallige It’s tulip time in Holland (two lips are calling me).

Eens waren ze buitengewoon populair. De NRC-criticus die zo enthousiast verslag deed van hun optreden in de Groote Schouwburg in Rotterdam, stond allerminst alleen; ze trokken overal volle zalen. Ook in Den Haag, waar ze volgens de krant Het Vaderland optraden voor „een gansch uitverkochte zaal, gevuld met een Residentiepubliek uit de beste kringen”.

De Groote Oorlog

In oktober 1914, kort na het uitbreken van wat toen de Groote Oorlog heette, viel Antwerpen. Een deel van het Engelse leger wist nog terug naar huis te varen, maar een bataljon van zo’n 1.500 militairen vluchtte over de grens naar het neutrale Nederland. Daar werden ze ontwapend en op een trein gezet naar de allernoordelijkste garnizoensplaats: Groningen. Blijkens ooggetuigeverslagen was de halve stad uitgelopen om hen op het station te zien arriveren. Om te beginnen werden ze ondergebracht in een kazerne, een militair hospitaal en de nog leegstaande nieuwbouw van een fietsenfabriek. Maar in januari konden ze een eigen kampement in gebruik nemen, dat geheel uit hout was opgetrokken. Timbertown, zeiden ze. En om de verveling te verdrijven, werden er in hoog tempo sport-, spel-, studie- en andere hobbyclubs opgericht. Een daarvan zou het vermaak voor de medegeïnterneerden ter hand nemen. Hun leider Fred Penley kende het artiestenvak; zijn vader was theaterproducent en had bovendien de hoofdrol gespeeld in de Londense oeruitvoering van de klassiek geworden klucht De tante van Charley.

Penley wist zijn mannen tot grote hoogte te brengen. Inclusief de ene die alle vrouwenrollen speelde en in zijn elegante robe menig Gronings jongenshart op hol moet hebben gebracht. De andere acht Follies-leden verschenen in de pierrotpakken – wit met grote zwarte knopen – die hun handelsmerk zouden worden. Hun eerste voorstelling werd door de kampleiding goed genoeg bevonden om op 18 februari 1915 ook notabelen uit Groningen uit te nodigen in de recreatietent. „De medewerkers hebben getoond, dat ze op prijzenswaardige wijze een avond kunnen vullen en de toehoorders vermaken”, berichtte het Nieuwsblad van het Noorden de volgende dag. „Aan applaus en gefluit, ook een teken van bijval, ontbrak het dan ook niet. Men verliet de zaal in prettige stemming.”

Een ‘welbekend cabaretgezelschap’

De volgende stap was een optreden in de Nieuwe Schouwburg in Groningen. En vervolgens wierp de gerenommeerde amusementsimpresario Max van Gelder, de grootste van het land, zich op om een landelijke tournee te organiseren. Hij boekte de ene na de andere schouwburg. Op het affiche voor hun vierde – en laatste – seizoen stond zelfs trots vermeld dat „dit welbekende Engelsche cabaretgezelschap” al meer dan 200 voorstellingen in geheel Nederland had gegeven. Allemaal voor goede doelen, want de Engelse legerleiding zou niet hebben toegestaan dat er geld werd verdiend met het optreden van militairen. Voor elk optreden diende de Nederlandse opperbevelhebber generaal C.J. Snijders een afzonderlijke machtiging te verlenen. Een belangrijk beneficiënt werd het fonds voor slachtoffers van de overstromingsramp die in januari 1916 de provincies rondom de Zuiderzee trof.

Zo werd het ene programma na het andere gespeeld. „Men moet de vindingrijkheid van deze artistieke kampbewoners wel bewonderen”, stelde de Nieuwe Groninger Courant vast. „Steeds weten ze wat nieuws te vinden, zonder aan de originaliteit afbreuk te doen.” Maar er was ook een andere kant. „Soms klaagde men erover dat ze meer niet dan wel in het kamp waren”, zegt de onderzoeker Menno Wielinga, die komend voorjaar een boek en een dvd over het Engelse kamp uitbrengt.

Wat de Timbertown Follies vertoonden, was in Nederland nog nooit vertoond. Ze speelden komische scènetjes, dansjes en mimenummers, maar bovenal zongen ze welluidende songs in de moderne ritmes van ragtime, step en foxtrot, die toen in dit land nog grotendeels onbekend waren. „Zij legden door hun voorstellingen een vruchtbare voedingsbodem voor de Anglo-Amerikaanse dans- en muziekcultuur en daarmee voor de jazz”, constateerde jazzhistoricus Aldert Toornstra in het Nederlands Jazz Archief Bulletin. Het feit dat er honderd jaar geleden in Nederland nog maar weinig Engels werd gesproken, vormde zodoende geen beletsel. „Geen bezwaar geen Engels te verstaan!” aldus een advertentie uit 1918. „Hun optreden, hunne grappen, hunne mimieken... dat is het aantrekkelijkste!”

Het einde van de oorlog, in november 1918, betekende ook het einde van de Timbertown Follies. Een paar jaar later trouwde Fred Penley met een Nederlandse vrouw, maar de huwelijksvoltrekking vond plaats in Londen.

Menno Wielinga: ‘Het Engelse Kamp te Groningen 1914-1918’. (Uitgeverij Profiel), verschijnt maart 2014. Diederik van Vleuten: Buiten schot. Tournee t/m 15 mei. Inl: bunkertheaterzaken.nl