Asterix overleeft alles, zelfs zijn bedenkers

In Parijs worden ontstaansgeschiedenis en wereldwijd succes van de Franse stripfiguren Asterix en Obelix belicht. Vandaag verschijnt het 35ste album in de serie.

Plaat 44, "Een dreun!" uit Asterix en de ronde van Gallië, 1963 (Le tour de Gaule d'Astérix) Illustratie Les Éditions Albert René, 2013.

‘Die heb ik niet gemaakt hoor”, roept de 86-jarige Asterix-tekenaar Albert Uderzo. Hij schuifelt door de tentoonstelling die de Bibliothèque nationale de France aan de beroemdste strip van Frankrijk heeft gewijd. „Dat daar is echte kunst.”

Hij wijst op een doek van de negentiende-eeuwse schilder Lionel Royer waarop de Gallische held Vercingetorix zijn wapenen aan de voeten van Julius Caesar laat neerkletteren. Vleugels heeft de mythische figuur op het paard nog net niet, en hij is ook wat groot uitgevallen, maar met zijn karakteristieke snor en gouden lokken doet hij maar aan één iemand denken: Asterix. De kleine onverzettelijk Galliër uit de strips die Uderzo maakte met de in 1977 overleden tekstschrijver René Goscinny.

De grote overzichtsexpositie Astérix à la BnF, afgelopen week geopend in de bibliotheek van François Mitterrand aan de Seine, toont de wordingsgeschiedenis en het wereldwijde succes van Asterix en Obelix. „Door een gelukkig toeval”, meldt de bibliotheek, verschijnt bovendien vandaag het 35ste album in de serie.

Een uitvergrote mythe

Die geschiedenis begon in 1951 toen Goscinny en Uderzo elkaar tegen het lijf liepen op het kantoor van een Belgisch strip-agentschap aan de Champs-Elysées. Acht jaar later broedden ze in het flatje van Uderzo in de Parijse voorstad Bobigny op een culturele strip voor het nieuwe jeugdblad Pilote. Een getekende versie van Van den Vos Reynaerde was het aanvankelijke plan, maar daar was al iemand mee bezig. Na enig bladeren in Franse geschiedenisboeken kwamen ze op de Galliërs, op een klein dorp dat als laatste stand zou houden tegenover het machtige Romeinse rijk.

Hele generaties Fransen zijn met die steeds glorieuzer geïnterpreteerde geschiedenis grootgebracht, laat de tentoonstelling zien. Maar het waren Goscinny en Uderzo, beiden afkomstig uit immigrantenfamilies, die de mythe tot in het ridicule uitvergrootten. „Asterix maakt nu deel uit van ons nationale erfgoed”, meent Carine Picaud, die namens de Bibliothèque nationale de tentoonstelling samenstelde.

Er zijn inmiddels 350 miljoen boeken verkocht, de meeste in Duitsland en in Frankrijk zelf. De strip is in 111 talen en dialecten vertaald, enkele opmerkelijke exemplaren (Asterix in het Farsi bijvoorbeeld) zijn nu te zien. „Asterix is een paradoxaal cultureel fenomeen”, verklaart Picaud het succes. „Hoewel het natuurlijk heel erg over Frankrijk gaat, met allemaal moeilijk te vertalen verwijzingen, is de strip met al zijn stereotypes over andere volken volstrekt universeel. Hij laat zien hoe we naar de ander kijken.”

Juridische strijd

Het hart van de tentoonstelling bestaat uit tachtig originele pagina’s uit vooral de wat vroegere albums. In 2011 doneerde Uderzo 120 van die waardevolle inkttekeningen voor het eerste album Asterix de Galliër, van Het gouden snoeimes en Asterix en de Belgen, aan de bibliotheek. De laatste jaren werden dit soort tekeningen voor bedragen tegen 100.000 euro per stuk verkocht. Met de gift wilde hij voorkomen dat zijn dochter ze in handen zou krijgen en duur zou verkopen.

Met haar is hij in een juridische strijd verwikkeld sinds de verkoop in 2008 van zijn uitgeverij Albert René aan het grote Hachette. Sylvie Uderzo, die Albert René jarenlang leidde, was daar tegen omdat de uitgeverij dan de mogelijkheid kreeg de Asterix-reeks zonder haar vader voort te zetten. „Asterix is sterker dan ik. Hij zal me overleven”, liet de oude Uderzo destijds in Le Figaro optekenen. „Maar eerst wil ik zijn toekomst veiligstellen.” Vader en dochter praten sindsdien niet meer met elkaar.

Het meest tastbare gevolg van het conflict van destijds is de wereldwijde verschijning, vandaag, van Asterix bij de Picten (zie recensie). Het is het eerste album dat zonder een van de oorspronkelijke scheppers is gemaakt. In het diepste geheim is een nieuwe scenarist gezocht die in de voetsporen zou kunnen treden van de magistrale Goscinny. De albums die Uderzo, naar eigen zeggen op uitdrukkelijk verzoek van de lezers, na het overlijden van Goscinny maakte, kregen in de Franse en internationale pers steeds slechtere kritieken. „Geen intrige”, was het botte oordeel van het weekblad Le Nouvel Observateur bij de verschijning, in 2009, van het laatste (jubileum)album.

Een tiental scenaristen werd uitgenodigd een tekst te schrijven die ‘blind’ werd beoordeeld door Uderzo en Anne Goscinny, de dochter van René. De keuze viel op Jean-Yves Ferri, die op de openingsborrel van de tentoonstelling verzekert dat Uderzo hem „alle vrijheid en vertrouwen” heeft gegeven.

Ferri maakte eerder de veelgeprezen historische strip De Gaulle à la plage. Het nieuwe album is volgens hem een „transitiealbum” dat aansluit „op wat mensen gewend zijn”. De nieuwe tekenaar, Didier Conrad, moest wel al zijn werk ter controle naar Uderzo sturen. Hij kreeg iedere pagina met gedetailleerde kritiek terug.

Asterix en Obelix op yoghurtpotten

Naast de oorspronkelijke strippagina’s en voorstudies toont de tentoonstelling aandoenlijke notities van de taalkunstenaar Goscinny. Op eenvoudige velletjes uit schoolschriftjes zette hij in een paar krabbeltjes de hoofdpersonen en steekwoorden voor de hele stripreeks uiteen. Leuk ook: op een ruitjesvelletje dat in een van de vitrines ligt, noteerde hij een waslijst aan ‘belgicismen’ voor Asterix en de Belgen: Franse woorden die in België net iets anders gebruikt worden en in het script tot de gezochte spraakverwarring zouden leiden. Net zulk precies vooronderzoek deed hij voor vele andere albums.

De 86-jarige Albert Uderzo heeft bij ieder stuk op de tentoonstelling een verhaal. Over hoe het hondje Idéfix de serie in wandelde (en zijn naam kreeg van lezers van Pilote), over hoe hij Caius Saugrenus, de golden boy van de Romeinse politiek naar het evenbeeld van Jacques Chirac schiep (maar hij eigenlijk verder wilde gaan dan Goscinny) en hoe Asterix en Obelix in de jaren zeventig uiteindelijk op yoghurtpotten en pakjes koekjes eindigden.

Hoewel Albert Uderzo er met zijn gift van de oorspronkelijke tekeningen zelf verantwoordelijk voor was, geeft hij desgevraagd toe dat hij „trots” is dat zijn werk nu in Parijs – pardon, Lutetia – in de belangrijkste bibliotheek van het land ligt. „Toen wij begonnen werden strips niet echt serieus genomen”, zegt hij, strategisch gepositioneerd naast een borrelende toverketel. „Dit is een grote erkenning.”

Astérix à la BnF !, Bibliothèque nationale de France (François-Mitterrand-site), Parijs. T/m 19 jan. Inl: bnf.fr In het Stripmuseum in Groningen is t/m 3 nov de tentoonstelling Asterix & Obelix, met de Franse slag. Inl: stripmuseum.nl