Trauma’s, syndromen en nieuwe ideeën

Minder omzet, meer winst, dat rapporteerden Philips als Akzo afgelopen maandag. Dat is naar omstandigheden knap gedaan, maar het wijst wel op een hardnekkig euvel: de vraag blijft achter, in een periode waarin we dachten dat de economie begon te herstellen.

Dat deed denken aan Richard Koo, de Taiwanees-Amerikaanse hoofdeconoom van de Japanse zakenbank Nomura. Koo, die twee weken geleden in Washington sprak op een van de talrijke fora die worden georganiseerd rond de IMF-jaarvergadering, is een groot aanhanger van de term ‘balansrecessie’. Zijn ervaringen in Japan past hij tegenwoordig graag toe op het Westen, dat min of meer doormaakt wat de Japanners al twintig jaar geleden overkwam: een spattende zeepbel met een schuldprobleem als resultaat. Gezinnen, bedrijven en vooral banken zijn in Japan lang bezig geweest met het repareren van hun balans, waar aan de linkerkant de activa in waarde gekelderd waren en aan de rechterkant de schulden waarmee ze waren gefinancierd fier bleven staan. Grootscheeps spaargedrag moest de schade repareren, en om de vraag in de economie niet in zijn geheel van de klif te duwen moest de overheid die particuliere besparingen compenseren met een begrotingstekort in dezelfde orde van grootte.

Koo zei vervolgens iets opmerkelijks: „Het doet me deugd u te kunnen vertellen dat de balansen in Japan rond 2005 grotendeels gerepareerd waren. Maar het spaargedrag gaat gewoon door. Er is hier kennelijk sprake van een trauma, net als in de VS na de Grote Depressie: nooit meer lenen. Lenen is slecht.”

Koo vreest dat dit trauma ook voor een groot deel van het Westen geldt. Schuld is nu slecht, en mag dus niet. Zowel in de private sector als bij de overheid. Maar als iedereen tegelijk spaart en bezuinigt dan zorgt dat voor een vraaguitval die de economie alleen maar verder drukt, mensen voorzichtiger maakt en verdere zuinigheid aanmoedigt.

Er moet, stelt Koo, juist weer meer geleend worden. Maar hoe? Volgens hem door bijvoorbeeld een versnelde, belastingvriendelijke afschrijving van bestaande schulden, door investeringssubsidies en dergelijke.

Zonder een beleid om de vraag te doen opleven lopen we volgens hem het risico om een verkeerde diagnose te stellen. „Als de economie nergens op lijkt te reageren, dan trekken we al snel de conclusie dat het probleem structureel moet zijn.” En dan is het antwoord, al even snel: structurele hervormingen, van de arbeidsmarkt, van de productmarkten van de structuur van de economie zelf.

Koo is het daar niet mee eens. Ja, rond het begin van de jaren tachtig, toen waren hervormingen hard nodig omdat alles was vastgelopen. „Dure arbeid, slechte producten, vakbonden die aan alle rechten vasthielden.” Hij stemde in 1979 zelfs op Ronald Reagan, als een van de weinige jonge economen, toen dat in academische kring not done was. Maar nu? De balansrecessie waar we nu in zitten vergt volgens Koo andere antwoorden.

Of hij nu gelijk heeft of niet, het zet wel aan het denken. De roep om structurele hervormingen klinkt al zo lang dat we er aan gehecht beginnen te raken, als een soort van economisch Stockholm-syndroom.

Maar slanken we intussen de verzorgingsstaat grotendeels voor niets af? Gaan we abusievelijk terug naar negentiende-eeuwse arbeidsverhoudingen met snel ontslagrecht, minder zekerheid en wachten bij de poort, omdat we de verkeerde diagnose stellen?

Eenduidig is het antwoord daarop niet, maar opvallend is hoe het gebrekkige economische herstel ruimte begint te geven aan nieuwe geluiden. Zie ook Nobelprijs-winnaar Robert Shiller. Maar daarover morgen meer.

Maarten Schinkel en Menno Tamminga schrijven in deze column over economische ontwikkelingen.

    • Maarten Schinkel