Telefoongesprek

Toen ik maandagavond, op weg naar de wc in café-restaurant Schlemmer bij het Binnenhof in Den Haag, abusievelijk een ongebruikt bijkeukentje binnenstapte, trof ik daar een groepje halfdronken, schaterlachende Amerikaanse mannen. Ze bleken werkzaam voor de beruchte National Security Agency (NSA) uit Amerika.

„Kom erbij”, riepen ze terwijl ze naar de indrukwekkende apparatuur op een grote tafel wezen, „we zitten net te luisteren naar het telefoongesprek tussen die slome Rutte van jullie en die Russische rat.”

„Kan dat zomaar?” vroeg ik nogal preuts. „Waarom niet”, riepen ze, „wij onderscheppen ook bij jullie elk jaar een paar miljoen telefoongesprekken en sms-berichten. Heeft jullie regering daar ooit bezwaar tegen gemaakt?” „Ik denk niet dat minister Plasterk dat leuk vindt”, zei ik. Er ging een golf van hilariteit door het vertrek: „Plaswhooo…?”

Toen maande de leider, een gedrongen man met zwart haar, tot stilte. Hij drukte me een koptelefoon in de handen.

„...is hier ook een prachtige avond”, hoorde ik net Poetin in dof Engels zeggen. „Een fantástische avond”, klepte onze premier met zijn bekende enthousiasme, „het is hier indian summer en het hele volk is blij. Deze week gaan we allemaal met vakantie.” „Dat doet me genoegen”, zei Poetin, „maar ik hoorde van onze ambassade dat uw nationale ombudsman gewoon doorwerkt.” „O die”, lachte Rutte, „hij kan werken wat hij wil, we nemen hem toch niet serieus.”

„Als president van Rusland neem ik iedereen serieus die mij in het openbaar uitscheldt”, zei Poetin, „en vervolgens neem ik mijn maatregelen”. „Wij zijn een democratie”, hield Rutte hem voor, „bij ons kun je zeggen wat je wilt.” „Dat heb ik gemerkt”, zei Poetin.

Rutte viel even stil. „Hoezo..?” vroeg hij. „Laten we het even over die Timmermans hebben”, zei Poetin, „die man ergert me. Een ijdeltuit met z’n getwitter en getetter. Een diplomaat van ons laten arresteren en dan de politie professioneel noemen, terwijl je – na vier dagen! – je excuses aanbiedt. Hoe haalt hij het in z’n bolle hoofd?” „Vladimir, het was niet zomaar een diplomaat”, suste Rutte, „hij had behoorlijk gedronken.” „Nou én”, zei Poetin, „als ik alle dronken westerse diplomaten in Moskou moest arresteren, was mijn gevangenis gauw vol.”

Het woord gevangenis bracht Rutte op een gedachte. Hij besloot van onderwerp te veranderen, zij het niet zonder schuchterheid. „Die Greenpeace-mensen...” „Hou op!” riep Poetin meteen, „ik lust geen activisten, geen Russische, laat staan buitenlandse, in Rusland. En dan gaat Timmermans, wéér die verrekte Timmermans, ook nog naar een of ander zeerechttribunaal, waar ik nooit van gehoord had, om die lui vrij te krijgen. Wie heeft dat bedacht? Die Samsom zeker, zelf ook ooit zo’n maffe activist. Ik kan je één ding verzekeren: die idioten komen pas vrij als ik dat wil!”

Rutte zweeg verbluft na deze tirade. Weliswaar mocht je alles zeggen in Nederland, maar kon hij zijn regeringspartners zó laten beledigen? Maar ach, ze zouden het toch nooit te weten komen en dus zei hij zoetgevooisd: „Ik moet roeien met de riemen die ik heb – een bekend Nederlands gezegde. Waar het mij vooral om gaat: wat doen we met de koning?”

Er klonk een knorrend lachje. „Laat ’m maar komen, maar alleen als hij dat leuke blondje meeneemt. En zónder Timmermans, denk erom.”

    • Frits Abrahams