Japke-d. Ondertussen op kantoor

Japke-d. Bouma geeft onmisbare tips om te overleven op kantoor. Deze week: omgaan met de collega met wie je absoluut niet in de trein wilt zitten.

Eindelijk eindelijk mag je naar huis en loop je naar het station. Na een hele dag van kakelende collega’s verheug je je op ‘lekker even niks in de trein met dopjes in je oren, een appel en een krantje’. Maar op het perron zie je al van verre die ene collega staan tegenover wie je nou net níet had willen zitten. Dit wordt weer een uur lang beleefd verhalen aanhoren over zijn kleinkinderen, zijn plasproblemen en koekoeksklokken. En als hij dan is uitgepraat, dat jíj dan het gesprek gaande moet houden.

Ik weet niet hoe het met jou is, maar ik heb er altijd één: zo’n collega met wie je gewoon niet samen wilt reizen, of een stukje mee wilt oplopen. Dat je het gewoon niet kan opbrengen. Het ergste is nog dat je allebei geen zin hebt in de ander. En dat allebei weet. Van elkaar. Toch breekt geen van jullie de conventie door te zeggen: ‘Ik zie je morgen, oké?’ Je stapt toch met elkaar in.

Ik ken collega’s die allerlei slinkse routes verzinnen en kilometers van omtrekkende bewegingen maken om dergelijke types te vermijden. Of een hele dag bij een ander bedrijf gaan werken om hem of haar maar niet tegen te komen. Niet gek dus dat mensen me vragen: hoe ga ik met zo’n situatie om?

Het makkelijkste is natuurlijk: jezelf onzichtbaar maken met bivakmutsen, pruiken en De Telegraaf (lekker grote krant!) op tentdoek-formaat uitgevouwen met ooggaten. Wat ook kan: je telefoon non-stop aan je oor houden en druk erin praten met fictieve Franse of Russische gesprekken.

Toch zou je, over een heel andere boeg redenerend, ook eens iets heel anders kunnen doen. En dat is, puur als louterend psychologisch experiment: gewoon het kruis dragen. En de hele reis belangstellend en aardig doen. Zie het als een soort oefening in nederigheid. Niks mis mee, wat zelfkastijding op zijn tijd.

Toch werkt uiteindelijk voor mij dit het beste: opschakelen en dan doorpakken. Dus in plaats van wegschieten, ontwijken en omlopen, er juist bovenop springen. Maar dan ook ECHT HELEMAAL. Met enthousiaste begroetingen en heel hard praten en armbewegingen. En flink doorvragen. Foto’s van die kleinkinderen bekijken bijvoorbeeld – en dan vragen of er nog iets aan die oren te doen valt. Of over die plasproblemen – of hij ook stukjes in zijn urine heeft. Over zijn relatie – steeds flink op de details gaan zitten. Dus bijvoorbeeld of ze nachtkastjes hebben en wat voor soort douche of bad. Of zeggen: ‘Ik hoor wel eens collega’s over jou klagen dat je…’ En dan: ‘Ach laat ook maar.’ En dan voet bij stuk houden.

En als dat allemaal niet werkt: verhuizen, jezelf klonen, duizenden euro’s in een auto met parkeerplaats investeren of toch die andere baan. Op kantoor is alles een kwestie van afwegen.