Ik denk vaak: wat zou Peter nu zeggen?

„Wat zou Peter nu zeggen? Dat probeer ik vaak te bedenken als collega’s over hun onderzoek vertellen. Peter Hagoort stelt namelijk altijd kritische vragen en wil weten wat er beter kan. Dat hij daarbij soms best wel direct uit de hoek kan komen, vind ik juist goed: voor hem staat wetenschappelijke kwaliteit op één.

„Als ik met hem spreek over mijn onderzoek naar de invloed van taal op onze perceptie weet hij altijd precies waar ik mee bezig ben en waar ik de vorige keer tegenaan liep. Dat vind ik knap als je bedenkt dat hij twintig promovendi heeft en zijn eigen onderzoek combineert met het directeurschap van zowel het Donders Instituut voor Hersenen, Cognitie en Gedrag als het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek. En dan schrijft hij óók nog gedichten.

„Dat hij op zo veel verschillende terreinen tegelijk opereert spreekt me aan want mijn interesse is ook heel breed. Zo heb ik filosofie en geneeskunde gestudeerd voordat ik neurowetenschapper werd en schrijf ik graag artikelen om mensen te vertellen wat voor coole dingen we doen. Peter was de eerste wetenschapper die ik ontmoette die hersenwetenschap combineert met filosofische vraagstukken over bijvoorbeeld de vrije wil en de relatie tussen lichaam en geest. Hij is een pionier in het onderzoek naar taal in het brein en heeft er een invloedrijke theorie over ontwikkeld.

„Die kruisbestuiving tussen vakgebieden stimuleert hij op zijn instituten. Op het Donders Instituut mogen we geen kamer delen met mensen uit onze eigen vakgroep, op donderdag luncht iedereen met elkaar om uit te wisselen waar we mee bezig zijn en ook wetenschappers van buitenaf worden uitgenodigd. Dat werkt goed; doordat je elkaar kent kun je makkelijker hulp vragen en is er minder concurrentie. Zonder Peter zou het instituut lang niet zo succesvol zijn: er wordt echt interdisciplinaire wetenschap bedreven.”