De Hollanders op kot falen

Nederlandse studenten doen het slecht in Vlaanderen Dat blijkt uit onderzoek van journalisten Tirzah Schnater en Jasmijn Fermie Hoe komt dat? En is het erg?

Illustratie Veronique de jong

Het stikt van de Hollanders in de kroegen van Antwerpen, Leuven en Gent. De 7.871 Nederlandse studenten betalen in Vlaanderen ‘maar’ 612 euro collegegeld (1.835 euro in eigen land) en 250 euro voor een ‘kot’ in het stadscentrum – een kamer in Utrecht kost gemiddeld 453 euro.

Studies als geneeskunde en diergeneeskunde zijn bij de Nederlanders veruit het populairst, vaak omdat ze zijn uitgeloot in eigen land. Dat ze wat minder scoren dan de Vlamingen lijkt dus logisch, maar vorig jaar bleek dat de prestaties wel erg tegenvallen. Zo haalde aan de Katholieke Universiteit Leuven (1.107 Nederlandse inschrijvingen) maar 18 procent alle punten voor het eerste jaar, tegenover 43 procent van de Vlamingen. Eenderde van de Nederlanders stopte, twee keer zo veel als de Vlamingen.

Hoe dat komt? Nederlanders onderschatten door de taalovereenkomst de verschillen met Vlaanderen, blijkt uit onderzoek van journalisten Tirzah Schnater (auteur van dit artikel) en Jasmijn Fermie. Zij deden hun onderzoek met steun van de Vlaams-Nederlandse Journalistenbeurs.

Zo is in Vlaanderen het onderwijs bijvoorbeeld nog heel traditioneel georganiseerd: grote collegezalen, de professor heeft het woord, twee grote examens per jaar waarin verwacht wordt dat je de stof uit het hoofd kent, weinig losse opdrachten en presentaties tussendoor om je score op te halen. Dat vindt menig Nederlander moeilijk, als kind van het competentieonderwijs.

Daarbij belanden de Nederlandse studenten zonder dat ze het weten in een al jaren slepende discussie rondom het onderwijs in Vlaanderen, waarbij mondjesmaat vernieuwingen doorgevoerd worden. Groot discussiepunt is het democratisch gehalte: het Vlaams hoger onderwijs staat open voor iedereen (alleen de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde hebben een toelatingstest). Dat klinkt mooi, maar heeft als gevolg dat het eerste jaar een afvalrace wordt.

Naast de vele Nederlanders sneuvelen ook veel Vlamingen. Een aantal weken geleden nog meldde de krant De Morgen dat bijna zes op de tien studenten het eerste jaar niet haalt. Dit heeft geleid tot een hernieuwde discussie over een ‘oriëntatieproef’ aan het einde van het middelbaar onderwijs. Nu worden er nog geen eindtermen gesteld, zoals in Nederland met het centraal examen. Er is dus niet bekend wat de beginnende studenten precies weten. De oriëntatieproef moet inzicht geven in de slagingskansen van een student. Alleen zouden scholen dan ook met elkaar vergeleken kunnen worden en het Vlaamse onderwijs heeft liever geen marktwerking.

De vraag is of het erg is dat zo veel Nederlandse studenten uitvallen. Voor het individu is het teleurstellend en kostbaar en voor de Vlaamse overheid is het zonde om die 10.000 euro per falende student per jaar te zien verdwijnen. Maar vooral wordt de positie van Europa als kenniseconomie tegenover de VS en opkomende economieën als India en Brazilië ermee bemoeilijkt. Dat zegt Hans de Wit, lector Internationalisering van het onderwijs aan de Hogeschool van Amsterdam en onderzoeker voor de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie.

De Wit wijst op de Bologna-verklaring uit 1999, een afspraak tussen 29 Europese landen over verregaande harmonisering van het hoger onderwijs in Europa. „De makkelijkste twee punten zijn behaald: de bachelor-masterstructuur en het European Credit Transfer System [dat het collegejaar verdeelt in studiepunten]. Maar verder is de diversiteit eigenlijk alleen maar toegenomen, in regelgeving en tradities die zorgen dat ons onderwijs nooit hetzelfde zal worden. Dat is mooi, maar het levert nog steeds veel barrières op in mobiliteit van studenten.”

    • Tirzah Schnater