Thomas Mann verbrandde zijn dagboeken uit 1922-’33. Wat zou er toen gebeurd zijn?

Thomas Mann, Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau, krijgt versierselen van Minister Beyen in juli 1955 Foto ANP

Leven als homo durfde Thomas Mann niet, maar ten strijde trekken tegen Hitler wel. Twee Duitse schrijvers hebben hem tot onderwerp van een roman gekozen.

Dat Thomas Mann in de zomer van 1927 een 17-jarige jongen kuste op wie hij smoorverliefd was, kun je lezen in zijn dagboeken. ‘Menselijkerwijs was dat mijn laatste hartstocht, en het was de gelukkigste’, schrijft hij op 9 september 1933. En in 1942 heeft hij het ook over ‘de ‘lieve lippen, die ik heb gekust’.

Naar wat er verder tussen de toen 52-jarige schrijver en die jongen, Klaus Heuser, is gebeurd, moet je raden. Want Mann heeft zijn dagboeken uit 1922-’32, de jaren waarin zijn homoseksualiteit het onstuimigst was, vernietigd. Zo bang was hij dat ze in verkeerde handen zouden vallen en tegen hem werden gebruikt.

De sporen van die zomerliefde hebben de Duitse schrijver Hans Pleschinski geïnspireerd tot een vermakelijke en soms ontroerende roman, Königsallee. De kus is iets van lang geleden, want het verhaal speelt zich af in 1954, als Mann een jaar voor zijn dood voor het eerst sinds zijn emigratie een bezoek aan Düsseldorf brengt om er een lezing te houden. Toevallig verblijft ook Klaus Heuser er. Düsseldorf is zijn geboortestad. Na achttien jaar in Azië te hebben gewoond, gaat hij samen met zijn Javaanse minnaar Anwar bij zijn ouders op bezoek.

Tot zover is alles waargebeurd. Maar Pleschinski stuurt de werkelijkheid bij en laat Klaus en Anwar hun intrek nemen in hetzelfde hotel waar Thomas Mann, zijn vrouw Katia en dochter Erika zijn ondergebracht. Met als even verzonnen resultaat dat de oude, nooit gestilde hartstocht tussen Mann en Klaus weer oplaait, al blijft de passie beperkt tot warme blikken en een nachtelijk gesprek in een slotpark.

Maar daar lijkt het Pleschinski niet om te doen. Eerder kun je Königsallee zien als een variatie op het werk van Thomas Mann. Zo speelt Pleschinski’s roman zich net als Lotte in Weimar – de oude Goethe ontmoet na vele jaren bij toeval zijn jeugdliefde Lotte – ook grotendeels af in een hotel. Daarnaast wemelt het in Königsallee van de Mann-personages.

Aan typische Mann-humor en -ironie ontbreekt het bij Pleschinski evenmin. Klaus krijgt op zijn kamer bezoek van drie gasten. De eerste is Erika Mann, die hem op hilarische wijze ervan probeert te weerhouden haar vader op te zoeken, omdat dat te veel van zijn broze gestel zal vergen. Daarna stormt de criticus Ernst Bertram binnen, een goede vriend van Mann die voor Hitler koos. Bertram smeekt Klaus een goed woordje voor hem te doen bij de schrijver. En tot slot is er Golo Mann, de zoon die zich miskend en gehaat voelt door zijn ouders. Hij wil dat Klaus bij zijn vader naar een compliment vist over zijn nieuwe Amerikaboek.

Hoe geestig die ontmoetingen ook zijn, ze hebben iets langdradigs en lijden aan een hoog ‘Theater van de Lach’-gehalte. Maar voor de rest is Königsallee een mooi boek, waarin knap wordt aangetoond hoe verknipt het naoorlogse Duitsland was. Dat doet Pleschinski aan het einde door demonstranten op te voeren die Mann verwijten zijn land te hebben verraden door te emigreren. In dat venijnige deel is hij op zijn best.

Tedere herinneringen aan Klaus Heuser duiken ook op in De beslissing, de debuutroman van advocate Britta Böhler. Hierin staan drie dagen uit 1936 centraal, waarin Mann besluit om in een open brief het naziregime als een bende inhumane barbaren te veroordelen. Het is geen makkelijke stap voor de schrijver. Een veroordeling van het regime betekent dat Mann definitief niet meer naar zijn geliefde vaderland terugkan en dat hij zijn lezerspubliek verliest, omdat zijn boeken verboden zullen worden. Ook zullen de nazi’s zijn huis in München in beslag nemen en zijn bankrekening blokkeren.

Böhler houdt het drama klein en beperkt zich tot Manns dagelijkse beslommeringen. Ze laat een neurotische schrijver zien, die in Zürich moeite heeft met zijn nieuwe kleermaker, kapper en tandarts. In Duitsland ‘war alles besser’.

Voor haar verhaal volgt ze nauwlettend Manns dagboeken en biografie. Ze glijdt alleen uit als ze beschrijft hoe Mann verliefd werd op Katia. Die gebeurtenis is veel te zoet neergezet, omdat Mann vooral op de puissante rijkdom en het culturele milieu van haar ouders viel.

Ook kun je met Böhler van mening verschillen over de door haar beschreven twijfels van Mann. Uit zijn dagboekaantekeningen van 31 januari 1936 is namelijk op te maken dat hij vastbesloten was zijn protestbrief te publiceren. En op 3 februari schrijft hij dat het besef het regime een behoorlijke klap te hebben toegediend hem met genoegen vervult.

Böhler lijkt Manns weifelen dus wat aan te dikken, wat in een roman natuurlijk mag. Jammer is wel dat ze haar roman in het Duits geschreven heeft om er vervolgens met een vertaler Nederlands van te maken. Daardoor staan er soms storende germanismen in. Desondanks is haar boek alleszins de moeite van het lezen waard. Vooral omdat de oudere Thomas Mann die eruit naar voren komt, je van bladzijde tot bladzijde ontroert.