Van Gogh mislukt als pop

Goed idee, een fictieve ontmoeting tussen Edvard Munch en Vincent van Gogh op toneel. Zeker als dat idee uit de koker komt van de Duitse poppentheatermaakster Ulrike Quade: geprezen om haar sterke, beeldende theatertaal. De fantasie slaat er meteen bij op hol: twee ontzagwekkende schilderoeuvres vertaald naar toneel, verbeeld door die griezelig merkwaardige poppen van Quade. Een pop als De Schreeuw – je ziet het voor je.

Maar Quade doet iets heel anders. Ze laat klonen van de dode schilders uit verschillende levensfasen opdraven in een talkshow, met als boegbeeld een doorgesnoven presentator die uit is op shock en kijkcijfers.

Op zich geen slecht idee, maar de talige vorm doet de vraag rijzen waarom niet gewoon voor een paar goede acteurs is gekozen. De poppen hebben minimale bewegingsruimte; hoogstens schuifelen ze wat heen en weer, maar meestal zitten ze te praten. Zo krijgen poppenspeelsters Cat Smits en Quade zelf veel meer tekst dan ze acteertechnisch aankunnen.

De tekst is niet oninteressant, zeker waar die toe werkt naar het contrast tussen de persoon van de kunstenaar en diens oeuvre. Zo’n rondzwalkende gek als Van Gogh, dat is maar slecht voor de waarde van zijn werken, betoogt de zelfingenomen kunstverzamelaar Gottlieb Herman. En dus moeten de klonen dood. Goed bedacht, maar noch poppen, noch spel voegen er iets wezenlijks aan toe.

    • Herien Wensink