Thomas Blondeau, de onvoorspelbare

De Vlaamse schrijver Thomas Blondeau (35) is afgelopen weekend onverwacht overleden Je kunt je niet voorstellen wat er met deze onuitstaanbare dood ongeschreven blijft, schrijft Christiaan Weijts

FOTO Paul Levitton / Hollandse Hoogte

Schrijver en columnist

Ineens was hij er: die jongen van het Vlaamse platteland, die zijn priesteropleiding had afgebroken en nu in Leiden kwam studeren. Hij reed, als twintiger, in een stokoude zwarte Mercedes met een Belgisch kenteken. Ik kende geen enkele student met een auto.

Hij was in het studentenhuis terechtgekomen bij vrienden van mij, en stapte er weleens binnen als we een avond van ons Letterendispuut hadden. Hij intrigeerde me, met z’n verhalen over de boerderij van z’n jeugd waar hij eigenhandig kippen slachtte, of zijn middelbare school waar hij de enige jongen tussen in een klas van mooie meisjes was en tot wat voor taferelen dat leidde.

Nooit wist je wat er precies van waar was. Alles had iets grotesks. Van een verhaal over Derrida kon hij ineens overschakelen op een cabaretimitatie.

Thomas Blondeau was zichzelf aan het uitvinden.

Trappelend van ambitie, razend intelligent, met onderhuids iets droefs en tragisch: de perfecte basisuitrusting, kortom, voor een ongekend schrijverschap.

Doordat hij opviel met z’n verhalen en gedichten, drong hij al snel door tot het wereldje van het universiteitsblad Mare. Daar hadden allerlei schrijvers en journalisten hun eerste stappen gezet, en ik zat ook net in de redactie.

Op een keer deed Thomas mee aan zo’n interne journalistieke workshop, waarbij je netjes leert gedegen nieuwsberichten te maken, met de voornaamste feiten voorop, de vijf w’tjes erin, enzovoorts. Thomas leverde stug zijn nieuwsberichten in die tegen alle principes zondigden. Berichten in gulle taal, speels, lenig. Kon hij dan geen rechttoe-rechtaan nieuwsbericht maken? ‘Natuurlijk kan ik dat, maar wat win ik ermee om zo voorspelbaar te zijn?’

Thomas Blondeau, de onvoorspelbare.

In mij wekte hij de neiging op om hem uit te dagen. Vooral als hij zo’n typische ironische toon aansloeg. In een roman waarin hij een kleine bijrol heeft, beschrijf ik die als ‘iets neerbuigends, geamuseerd, en toch met een trage verveling erin’.

‘Zo’, kon hij dan zeggen. ‘Meneertje heeft ook een keer een pizza calzone gegeten en is nu de grote Italiëkenner van Nederland.’

We scherpten ons aan elkaar, probeerden elkaar te overtroeven, zowel op de redactie, waar we ergens jarenlang een klein kantoorkamertje met elkaar deelden, als in de Leidse cafés. Het was een steekspel van ironie, die soms doorsloeg naar cynisme of sarcasme.

Zelfs nu ik dit schrijf hoor ik die stem. (‘Zo, dus meneertje denkt even in een paar alinea’s de volledige Blondeau te kunnen portretteren, nou, santé. Vergeet je niet te zeggen dat op nu.nl mijn doodsbericht onder het bericht staat over een soapy dat in het kerstnummer van Playboy poseert, en dat ik altijd al zo hebben willen eindigen?’)

De volledige Blondeau kan niemand portretteren. (‘Ach, da’s nou lief van je..’) Daarvoor zijn er te veel lagen, verzinsels, is er te veel onvoorspelbaar en raadselachtig. Ik heb alleen wat scherven.

Op een gegeven moment woonde hij boven een balletwinkel op de Haarlemmerstraat. Om er te komen moest je de zaak door, langs rekken roze tutuutjes, een houten ladder op. Het appartement zelf was een kruip-door-sluip-doorgeheel met een klein dakterras bereikbaar door een raam. Daar dronken we vaak, champagne, en rookten we, spraken we over ernstiger zaken en fantaseerden we over een bohémienbestaan, zoals we dat nu juist aan het beleven waren, maar dat weet je altijd pas achteraf.

In Leiden had zich, verspreid over twee of drie cafés, zoiets als een artistieke kring gevormd, met journalisten, schrijvers, dichters en wetenschappers, en aan die tafels etaleerde Thomas Blondeau z’n vermogen tot grotsekse en scherpzinnige parodie. Ik herinner me een avond waarop hij uitgebreid het ‘jongens waren we’-achtige genre parodieerde. Die sketch had als terugkerend refrein: ‘Neuken. We kenden het woord niet eens. Maar we deden het gewoon. Ach, Parijs…’

Later zag ik die zin letterlijk in een boek van Ilja opduiken. Want zo was het ook nog eens: je gapte van elkaar zoveel je kon. (‘Proficiat, m’n jongen... Je hebt het woord neuken in een in memoriam gesmokkeld; zo is mijn dood niet voor niets geweest.’)

Ook toen hij redacteur en later eindredacteur werd, zag je dat hij een rol speelde. Elke rol speelde hij met verve en talentvol: columnist, journalist, dichter, romancier. Alles onder het adagium: wat win ik ermee om voorspelbaar te zijn?

Ineens kon ik een mailtje krijgen: ‘Gaan we nog eens schaaldieren eten binnenkort? Die crisis lost zichzelf niet op.’

Oesters en champagne, en tussendoor de literatuur bestormen, je aan elkaar scherpen, plannen maken, pret maken: precies wat je doet als je midden in het leven staat.

Ineens is het weg. Ineens is hij weg. Juist nu het pas echt op gang begon te komen, juist nu hij na veel moeite in plezieriger sferen was gekomen, op alle fronten. Ineens is het weg: verwoestend, ondenkbaar.

Elke roman was beter, rijker, doorleefder dan het vorige en je kunt je niet voorstellen wat er met deze onbegrijpelijke, deze onuitstaanbare dood ongeschreven blijft. Het is te veel.

    • Christiaan Weijts