Storingsvrij hart

Het was maar een kort berichtje vorige week op de internetpagina’s van verschillende Nederlandse en Vlaamse kranten: Eric Vanderaerden opgenomen na hartaanval. Ik schrok daarvan. Vanderaerden was een aantal jaren mijn ploegmaat bij Panasonic. Al had ik hem in geen jaren gesproken, hij ligt me nog altijd na aan het hart. Eric heeft de wereld intussen laten weten dat hij na een operatieve ingreep „snel terug fit” zal zijn. Zo ken ik hem weer.

Eric Vanderaerden was de laatste die ik met een hartaanval in verband zou hebben gebracht. Dit zal ik uitleggen.

In de hopeloos conservatieve wielerwereld drong tijdens de jaren tachtig van de vorige eeuw stilaan het besef door dat met bijgeloof en verkalkte conventies geen progressie meer te boeken viel. Meer en meer werden wetenschappelijke inzichten toegelaten in de schrijn van de wielersport. Waarom bijvoorbeeld nog biefstukken eten als ontbijt als er in de koers geen direct profijt van uitging. En waarom seksuele onthouding propageren als het alleen maar seksueel ontspoorden en krankzinnige heiligen opleverde. De Panasonic wielerploeg zocht in die dagen contact met de universiteit van Maastricht. Aldaar werden wij, renners, eerst eens goed doorgemeten.

Met hoeveel waren wij? Twintig, tweeëntwintig? In elk geval, tijdens een reeks doorgedreven inspanningstesten bleek er van de hele club maar eentje te zijn met een volledig storingsvrij hart, en dat was Eric Vanderaerden. Niet dat de rest ongeschikt zou zijn voor het vak wielrenner, integendeel, de storingen van de anderen verraadden nog altijd enige aanleg en talent.

Het storingsvrije hart van Eric Vanderaerden drukte zichzelf uit in een storingsvrije manier van koersen. Bij hem was het erop of eronder. Hij combineerde toewijding met absolute onverschilligheid. In een kille hoosbui die een dag lang duurde, won hij in 1985 de Ronde van Vlaanderen omdat die koers nu eenmaal door hem gewonnen moest worden. Wat kon hem de ellende onderweg schelen.

Ik heb hem horen schreeuwen van de pijn, tijdens de Tour, toen een verzorger met een nagelborstel asfalt en kiezelsteen uit zijn lichaam schrobde. Ziek van de wondkoorts won hij een paar dagen later een etappe. Ik zie hem op een krant poepen, en ik zie hem die krant bovenop een kast verstoppen in een Frans hotel omdat de kamer volgens hem ver beneden de norm was. Hij klopt Bernard Hinault in een tijdrit. Hij is uren onderweg om een varkenskop te bemachtigen, die hij wil monteren op de motorkap van een vijandige ploegleider die hem een kunstje heeft geflikt.

Later in zijn carrière verpatste hij zijn talent aan de amfetamines. Achter het storingsvrije hart lag een uitgestrektheid van verdriet, maar dat dit hart ooit aan de handen van een chirurg zou moeten worden toevertrouwd, had ik dus niet verwacht.

Peter Winnen is oud-wielerprof en schrijver