Ooit de koning van Europa...

Begin jaren zeventig was Ajax de beste van Europa Totdat het 40 jaar geleden afgleed naar het niveau waar het zich nu ook bevindt: de middenmoot Zijn er overeenkomsten tussen toen en nu?

Met veel kabaal donderde Ajax veertig jaar geleden in Sofia van zijn Europese troon. Het vertrek van Johan Cruijff, zelfoverschatting bij de achterblijvers en het even niet voorradig zijn van supertalenten deed de winnaar van de Europa Cup voor landskampioenen in 1971, 1972 en 1973 afglijden naar het niveau waarop de roemruchte club zich in 2013 ook zo’n beetje bevindt: de Europese middenmoot.

Zijn er overeenkomsten tussen toen en nu? „Nee”, zegt Jan Mulder, „de dip waarin Ajax nu zit is structureel. En dat valt de club niet te verwijten, het is de schuld van het voetbal dat in een zieke toestand verkeert.”

Alvorens columnist, schrijver, voetbalanalist en sidekick op tv te worden, was Mulder beroepsvoetballer. In 1972 kwam hij als koningsschutter van Anderlecht de Europese kampioen Ajax versterken. De Groningse midvoor zou de diepste spits van de ploeg worden, Johan Cruijff zou achter hem het spel verdelen en de hegemonie van Ajax, zo was de overtuiging van voorzitter Jaap van Praag, zou nog jaren duren.

Van de troon gestoten

Dat viel tegen. Mulder bleek een krakkemikkige knie te hebben en toen hij eindelijk een tijdlang achtereen kon spelen, was Cruijff naar Barcelona vertrokken. En met zijn weergaloze nummer 14 verloor Ajax ook zijn onoverwinnelijkheid. De Bulgaarse legerploeg CSKA, een jaar eerder in Amsterdam én in Sofia nog zoek gespeeld door het Ajax van Cruijff, joeg de kampioen van Europa in de herfst van 1973 onbarmhartig en respectloos over de kling.

Een kwartier voor tijd staakte Mulder het almaar woester wordende Europa-Cupduel in het Vasillevski-stadion. Zijn probleemknie wilde niet meer. Opgejut door uitzinnige supporters maakte CSKA de in Amsterdam opgelopen 1-0 achterstand (doelpunt Mulder) goed. In het kolkende Vasillevski werd Ajax in de verlenging met grof geweld van zijn troon gestoten (2-0). Pim van Dord zat in Sofia op de reservebank en de jonge verdediger keek verbaasd om zich heen. Hij zag overal hysterie. „Alle Oostbloklanden waren somber, maar Bulgarije was toch het somberst. De mensen waren daar zo te neergeslagen. Maar in het stadion veranderden ze. Voetbal was een mogelijkheid om zich af te zetten tegen het welvarende Westen.”

Ajax ging in de hysterie ten onder, maar dat was volgens Van Dord vooral te wijten aan het eigen gezwollen ego. In de zomer van ’73 hadden de spelers Piet Keizer als aanvoerder verkozen boven Cruijff, die in hun ogen te veel roem opeiste en een te riant salaris genoot. De maestro voelde zich verraden en vertrok naar Catalonië. Van Dord: „Cruijff was onmisbaar en onvervangbaar. Spelers als Arie Haan, Horst Blankenburg, Johan Neeskens, Wim Suurbier en Ruud Krol dachten het zonder hem af te kunnen. En ze dachten ook dat ze in navolging van Johan het grote geld in het buitenland konden gaan verdienen. Toen wij tegen die Bulgaren moesten, waren ze in hun hoofd al aan het vertrekken bij Ajax.”

Ze vertrokken ook, de dienende spelers, zij het niet onmiddellijk en niet tegelijk. De zo geroemde jeugdopleiding en scouting schoten op dat moment tekort. De doorstroming haperde, Ajax verloor in eigen land zijn onaantastbaarheid en gleed in Europa weg naar het niveau waarop de club zich nu bevindt, de middenmoot.

Toch weer successen

Van Dord: „Maar we krabbelden weer omhoog. In 1978 haalden we de kwartfinale van de Europa Cup en twee jaar later zelfs de halve finale.” Dat was onder de jonge trainer Leo Beenhakker, in een seizoen dat Van Dord vanwege een achillespeesblessure werd afgekeurd voor topvoetbal. In 1985 keerde hij als fysiotherapeut terug bij Ajax, dat twee jaar later met Cruijff als trainer de Europa Cup 2 won. Van Dord beleefde als verzorger ook het succesvolle tijdperk Louis van Gaal, met triomfen in de UEFA Cup (1992) en Champions League (’95) van nabij.

„Eigenlijk zijn we met Ajax altijd van succes naar succes gegolfd en de successen vielen samen met het tot bloei komen van bijzondere lichtingen jeugdspelers: de lichting Van Basten, de lichting De Boer, de lichting Kluivert. Maar ik ben bang dat de golfbeweging is stilgevallen.”

Oorzaak? „Geld is allesbepalend geworden. De verleiding uit het buitenland is niet meer te weerstaan. Cruijff ging op zijn 26ste naar het buitenland, nu gaan ze als tieners.” De topclubs bulken van het geld, ook al barsten ze van de schuld, en ze worden volgens Van Dord ook nog eens beschermd door het poulesysteem van de Champions League. „Vroeger, met het knock-outsysteem, konden de kleinere clubs stunten tegen de grote jongens. Maar die hebben nu alle kans een misstap goed te maken.”

Van Dord, nog altijd in dienst van Ajax, vindt dat zijn club tijd, geld en energie in de jeugdopleiding moet blijven steken. „Maar het is naïef te denken dat we het daarmee kunnen redden. We moeten hopen dat er toch zoiets als financial fairplay komt, maar ik zie het somber in. Het is te krankzinnig voor woorden dat wij Spaanse banken op de been houden die ervoor zorgen dat Real Madrid voor honderd miljoen euro een speler kan kopen. Dat zou de Europese Commissie toch moeten verbieden.”

„En de UEFA”, schampert Jan Mulder. „Michel Platini ijvert zogenaamd voor financial fairplay. Ik moet daar erg om lachen, want meneer de voorzitter is zelf schaamteloos onderdeel van het establishment. Het is een zieke toestand in het voetbal. Het gaat echt alleen maar om de commercie en die zorgt er ook voor dat de dip waarin Ajax momenteel zit structureel is.”

Is de aardigheid er voor de romanticus Mulder dan zo onderhand niet af? „Het is een schande allemaal, maar dan zie ik Barcelona schitteren, of Bayern, en dan ben ik verloren. Onze eredivisie is een wat armoedige competitie geworden, maar ik kan toch erg genieten van een Boëtius in vorm, of een Tadic. Die tonen flitsen van klasse. Alles wordt uitgezonden en daardoor is de wereld nu zo klein dat ik rustig kan zeggen dat Barcelona net zo goed van mij is als Feyenoord en Ajax. Daardoor valt er als romanticus godzijdank nog genoeg te genieten.”

    • Jaap Visser