‘Ik ben geen racist, maar...’

Nederland is niet tolerant, blijkt uit een rapport van de Raad van Europa. Hoe komt dat? „Witte heteroseksuele mannen zijn de norm.”

1985

In Nederland hebben alle inwoners gelijke rechten, iedereen is gelijk voor de wet. Maar in de praktijk, zegt Zihni Özdil, maatschappijhistoricus aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, ligt het anders. „Dan is van echte gelijkwaardigheid geen sprake.”

De vraag was hoe het met racisme in Nederland is gesteld, naar aanleiding van uitlatingen van Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer. Die zei in interviews dat de politiek wel erg „populistisch en nationalistisch” is geworden en dat ze te weinig doet om racisme te bestrijden. De Ombudsman verwees naar een kritisch rapport dat de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) van de Raad van Europa vorige week presenteerde, over het Nederlandse beleid (en het gebrek daaraan) inzake racisme en onverdraagzaamheid. Dat rapport ging met name over beleid waarmee onverdraagzaamheid moet worden bestreden tegenover mensen die in Nederland wonen en afkomstig zijn uit een niet-Nederlandse etnische groep of cultuur.

„Er is veel vaker kritiek op Nederland van internationale instanties” , zegt Ashley Terlouw, hoogleraar rechtssociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen. „Die kritiek leggen we meestal naast ons neer.” Zihni Özdil is het met haar eens. „Autochtone Nederlanders zijn niet onverschillig ten aanzien van racisme. Het is erger. Ze wuiven het weg. We weten al sinds jaar en dag dat aan de hand is wat in het ECRI-rapport staat. Er is veel gedegen wetenschappelijk onderzoek gedaan. Maar we willen er niet aan.”

Ons morele zelfbeeld zit ons daar in de weg, zegt socioloog Gabriël van den Brink, hoogleraar bestuurskunde in Tilburg. Hij verwijst naar één vaste uitdrukking die het allemaal samenvat: ‘Ik ben geen racist, maar…’ Nederlanders worstelen volgens Van den Brink met het verschil tussen wat ze denken en wat ze horen te denken. Nederlanders, en de andere protestante naties in Noordwest-Europa, worstelen het sterkst met die ambivalentie, zegt hij. Die vinden het lastig om te gaan met het verschil tussen hoe het leven hoort te zijn en hoe het in feite is. „Italianen zijn daar veel losser in. Protestanten denken: het zal toch niet waar wezen dat er een verschil is?”

Daar komt volgens Van den Brink een neiging tot morele superioriteit bij, die tot onbuigzaamheid leidt, ook als de standpunten niet helemaal consistent zijn. „Onze openheid en tolerantie zijn buitengewoon selectief. Wij staan open voor homo’s, maar niet voor orthodoxe gelovigen die grote moeite hebben met homoseksualiteit.” In Nederland – waar het gedachtengoed van D66 en GroenLinks zo’n beetje de heersende moraal vertegenwoordigt – is iedereen het daarover eens. Maar zodra we met Rusland te maken krijgen, zien we ineens dat onze morele horizon niet samenvalt met die van anderen.”

In zogenoemde high trust societies, zoals in Noordwest-Europa, zijn spanningen als gevolg van discriminatie nu het grootst, zegt Van den Brink. „De sociale codes zijn veel preciezer. Een man die op straat naar een vrouw sist, heeft meteen een probleem. Maar hoe strikt die codes ook zijn, ze staan nergens helder omschreven – dat maakt het voor nieuwkomers zo lastig.”

Voeg daarbij de gevoeligheid over de Tweede Wereldoorlog, zegt Van den Brink, en je begrijpt waarom discussies over racisme in Nederland een extra scherpe rand hebben. Daar knelt de ambivalentie het meest.

In Nederland bestaat een witte mannelijke heteroseksuele hegemonie, zegt Özdil, witte mannen bepalen de kaders van het debat. „Zodra allochtonen, vrouwen, homo’s, of welke groep dan ook, zich buiten de gebaande kaders begeeft, gaat het mis. De allochtoon die zich buiten de kaders van de ‘beroepsallochtoon’ begeeft, de homo die niet past in het plaatje van COC-gay (beetje vrolijk, niet al te kritisch) is een zeurpiet of radicaal of niet serieus te nemen.”

Hij roept de woede van Henk Westbroek bij Pauw & Witteman in herinnering. Die zat twee weken geleden in de uitzending tegenover Quinsy Gario, de man die tegen Zwarte Piet protesteert. Elke zin van Westbroek begon met jôh en eindigde ermee dat hij het maar gezanik vond. „Als het over racisme gaat, is de reactie van de meeste witte autochtonen: niet zeiken”, zegt Özdil. „Ik denk dat angst de grote boosdoener is”, zegt Ashley Terlouw. „Angst is een veel belangrijkere drijfveer voor discriminatie en racisme dan onverschilligheid.”

Volgens haar is belangrijker dan wat de Nederlandse overheid niet doet op het gebied van racismebestrijding, juist wat zij wel doet. „Neem de inburgeringstoetsen. Die zijn er niet om te zorgen dat migranten de wetten leren kennen, en Nederlands leren. Die zijn ervoor dat migranten onze normen en waarden kunnen verinnerlijken. Ze moeten net zo worden als wij, vanuit het oude superioriteitsdenken.”

Het ECRI-rapport is geen racismemonitor, er staat niet in dat Nederland racistischer of minder racistisch is dan andere Europese landen. De organisatie die in Nederland racisme monitort is de Anne Frank Stichting. Met de Universiteit Leiden publiceerde ze een racismemonitor tussen 2004 en 2010. Die gaat over racistisch geweld, extreemrechtste formaties en islamitisch radicalisme. Maar cijfers ontbreken.

Onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut leverde wel getallen op. De onderzoekers zochten in een database met alle incidenten die door de politie in 2010 en 2011 zijn geregistreerd. De incidenten die met racisme te maken hadden telden ze op. Racistisch schelden bijvoorbeeld of bekladden van een synagoge. In 2010 waren er 1.302 incidenten die met racisme te maken hadden, een jaar later 1.262. Vrij constant dus.

In het ECRI-rapport wordt de zogeheten Poldis-rapportage aangehaald, de politieregistratie van misdrijven die met discriminatie te maken hebben. In 2011 werden in totaal 2.802 incidenten geregistreerd, ongeveer 10 procent meer dan in 2010. De ECRI merkt op dat de stijging wellicht kan worden toegeschreven aan de grotere prioriteit die binnen de politie hieraan wordt gegeven.

Van den Brink stuurt nog een staatje op. Het zijn drie lijnen, die samen iets van de tolerantie in Nederland verbeelden. Ze laten zien in hoeverre mensen geen bezwaar hebben tegen de komst van buren die a) in aanraking zijn geweest met justitie, b) er links-radicale denkbeelden op na houden en c) een drankprobleem hebben. De lijnen beginnen in 1981 en eindigen in 2008. Alle lijnen lopen schuin naar beneden: lijn a) het steilst, van rond de 85 procent naar minder dan 50. Lijn b) gaat van ruwweg 60 naar 45 procent en c) van 50 naar om en nabij de 35 procent.

Zo geeft Van den Brink een breder antwoord dan het racisme waar Brenninkmeijer en de Europese Commissie op doelen: de tolerantie is over het algemeen afgenomen. Veel mensen op een klein stuk land, zegt Van den Brink, met haast en hoge verwachtingen. „De samenleving is net een snelweg, je moet elkaar ruimte geven en niet al te onbeheerst rijden.”

Met bijdrage van Tom Vennink

    • Sheila Kamerman
    • Bas Blokker