Ik ben dus geen racist hoor, maar...

Volgens een kritisch EU-rapport is Nederland niet zo tolerant In elk geval niet zo tolerant als we zelf denken dat we zijn

Verslaggevers

In Nederland hebben alle inwoners gelijke rechten, iedereen is gelijk voor de wet. Maar in de praktijk, zegt Zihni Özdil, maatschappijhistoricus aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, ligt het anders. „Dan is van echte gelijkwaardigheid geen sprake.”

De vraag was hoe het met racisme in Nederland is gesteld, naar aanleiding van uitlatingen van Nationale Ombudsman Alex Brenninkmeijer. Die zei zondag dat de Nederlandse politiek wel erg „populistisch en nationalistisch” is geworden en dat ze te weinig doet om racisme in de samenleving te bestrijden. De Ombudsman verwees naar een kritisch rapport dat de Europese Commissie tegen Racisme en Intolerantie (ECRI) van de Raad van Europa vorige week presenteerde, over het Nederlandse beleid (en het gebrek daaraan) ten aanzien van racisme en onverdraagzaamheid.

Ze wuiven racisme weg

„Er is veel vaker kritiek op Nederland van internationale en Europese instanties” , zegt Ashley Terlouw, hoogleraar rechtssociologie aan de Radboud Universiteit Nijmegen, „en die kritiek leggen we meestal naast ons neer.” Özdil is het met haar eens. „Autochtone Nederlanders zijn niet onverschillig ten aanzien van racisme. Het is erger. Ze wuiven het weg. We weten al sinds jaar en dag dat aan de hand is wat in het ECRI-rapport staat. Er is enorm veel zeer gedegen wetenschappelijk onderzoek naar gedaan. Maar we willen er niet aan.”

Ons morele zelfbeeld zit ons daar in de weg, zegt socioloog Gabriël van den Brink, hoogleraar aan de Universiteit van Tilburg. Hij verwijst naar één vaste uitdrukking die het allemaal samenvat: ‘Ik ben geen racist, maar…’ Nederlanders worstelen met het verschil tussen wat ze horen te denken en wat ze denken. Nederlanders, en de andere protestantse Europeanen, worstelen sterk met die ambivalentie, volgens Van den Brink. Die vinden het lastig om te gaan met het verschil tussen hoe het leven hoort te zijn en hoe het in feite is. „Italianen zijn daar veel losser in, die accepteren het verschil tussen het leven en de leer.”

Sissen kan niet, maar verder?

In zogenoemde high trust societies, zoals die in Noordwest Europa, zijn spanningen als gevolg van discriminatie nu het grootst, zegt Van den Brink. „De sociale codes zijn veel preciezer. Een man die hier op straat naar een vrouw sist, heeft meteen een probleem. Maar hoe strikt die codes ook zijn, ze staan nergens helder omschreven – dat maakt het voor nieuwkomers zo lastig.” Voeg daarbij de gevoeligheid over de Tweede Wereldoorlog, zegt Van den Brink, en je begrijpt waarom discussies over racisme in Nederland een extra scherpe rand hebben.

In Nederland bestaat een witte mannelijke heteroseksuele hegemonie, zegt Özdil, witte mannen bepalen de kaders van het debat. „Zodra allochtonen, vrouwen, homo's, of welke groep dan ook, zich buiten de gebaande kaders begeeft, gaat het mis. De allochtoon die zich buiten de kaders van de ‘beroepsallochtoon’ begeeft, de homo die niet past in het plaatje van COC-gay (beetje vrolijk, niet al te kritisch) is een zeurpiet of radicaal of niet serieus te nemen.”

Angst is de grote boosdoener

Hij roept de woede van Henk Westbroek bij Pauw & Witteman in herinnering. Die zat twee weken geleden in de uitzending tegenover Quinsy Gario, de man die tegen Zwarte Piet protesteert. Elke zin van Westbroek begon met ‘jôh’ en eindigde ermee dat hij het maar gezanik vond. „Als het over racisme gaat, is de reactie van de meeste witte autochtonen: niet zeiken”, zegt Özdil. „Ik denk dat angst de grote boosdoener is”, zegt Ashley Terlouw. „Angst is een veel belangrijkere drijfveer voor discriminatie en racisme dan onverschilligheid.”

Van den Brink stuurt een staatje op. Het zijn drie lijnen, die samen iets van de tolerantie in Nederland verbeelden. Ze laten zien in hoeverre mensen geen bezwaar hebben tegen de komst van buren die a) in aanraking zijn geweest met justitie, b) er links-radicale denkbeelden op na houden en c) een drankprobleem hebben. De lijnen beginnen in 1981 en eindigen in 2008. Alle lijnen lopen schuin naar beneden: lijn a) het steilst, van rond de 85 procent naar minder dan 50. Lijn b) gaat van ruwweg 60 naar 45 procent en c) van 50 naar om en nabij de 35 procent.

Zo geeft Van den Brink een breder antwoord dan het racisme waar Brenninkmeijer en de Europese commissie op doelen: de tolerantie is over het algemeen afgenomen. Veel mensen op een klein stuk land, zegt Van den Brink, met haast en hoge verwachtingen. „De samenleving is net een snelweg, je moet elkaar ruimte geven en niet al te onbeheerst rijden.”

    • Sheila Kamerman
    • Bas Blokker