Het grote Ajax ging aan eigen gezwollen ego ten onder

Ajax, vanavond tegenstander van Celtic, heerste ooit in Europa. Hoe de club afgleed naar de middenmoot.

Jan Mulder laat zich op 7 november 1973 niet afschrikken tegen CSKA Sofia. Links Kolev en op de achtergrond de nieuwe Ajax-aanvoerder Piet Keizer. Foto ANP

Met veel kabaal donderde Ajax veertig jaar geleden in Sofia van zijn Europese troon. Het vertrek van Johan Cruijff, zelfoverschatting bij de achterblijvers en het even niet voorradig zijn van supertalenten deed de winnaar van de Europa Cup voor landskampioenen in 1971, ’72 en ’73 afglijden naar het niveau waarop de roemruchte club zich in 2013 ook zo’n beetje bevindt: de Europese middenmoot.

Zijn er overeenkomsten tussen toen en nu? „Nee”, zegt Jan Mulder, „de dip waarin Ajax nu zit is structureel. Dat valt de club niet te verwijten; het voetbal verkeert in een zieke toestand.”

Alvorens columnist, schrijver, voetbalanalist en sidekick op tv te worden, was Mulder beroepsvoetballer. In 1972 kwam hij als koningsschutter van Anderlecht de Europese kampioen Ajax versterken. De midvoor zou de diepste spits worden, Johan Cruijff zou achter hem het spel verdelen en de hegemonie van Ajax, zo was de overtuiging van voorzitter Jaap van Praag, zou nog jaren duren.

Dat viel tegen. Mulder bleek een krakkemikkige knie te hebben, moest in zijn eerste Ajax-seizoen vaak en langdurig revalideren en toen hij eindelijk een tijdlang achtereen kon spelen, was Cruijff naar Barcelona vertrokken. En met zijn weergaloze ‘nummer 14’ verloor Ajax ook zijn onoverwinnelijkheid. De Bulgaarse legerploeg CSKA Sofia, een jaar eerder in Amsterdam én in Sofia nog zoek gespeeld door het Ajax van Cruijff, joeg de kampioen van Europa in de herfst van 1973 onbarmhartig en respectloos over de kling.

Een kwartier voor tijd staakte Mulder het almaar woester wordende Europa-Cupduel. Zijn probleemknie, die hem nog geen twee jaar later tot stoppen zou dwingen, wilde niet meer. Trekkebenend verliet Mulder het veld. Opgejut door uitzinnige supporters maakte CSKA de in Amsterdam opgelopen 1-0 achterstand (doelpunt Mulder) goed. In het kolkende Vasillevski-stadion werd Ajax in de verlenging met grof geweld van zijn troon gestoten: 2-0.

Pim van Dord zat in Sofia op de reservebank en de jonge verdediger keek verbaasd om zich heen. Hij zag overal hysterie. „Oostbloklanden waren somber, maar Bulgarije was toch het somberst. De mensen waren daar zo te neergeslagen, keken zo droevig. Maar in het stadion veranderden ze. Voetbal was hun uitlaatklep.”

Ajax ging in de hysterie ten onder, maar dat was volgens Van Dord niet zozeer aan de Bulgaarse agressie te wijten, meer aan het eigen gezwollen ego. Bij de knechten van Cruijff was het in de gloriejaren gewonnen vertrouwen doorgeslagen naar zelfoverschatting. In de zomer van ’73 hadden zij Piet Keizer als aanvoerder verkozen boven Cruijff die in hun ogen te veel roem opeiste en een te riant salaris genoot. De maestro voelde zich verraden en zodra in Spanje de grens voor voetballers werd geopend nam hij de wijk naar Catalonië.

Van Dord: „Cruijff was onmisbaar en onvervangbaar. Spelers als Arie Haan, Horst Blankenburg, Johan Neeskens, Wim Suurbier en Ruud Krol dachten het zonder hem af te kunnen. En ze dachten ook dat ze in navolging van Johan het grote geld in het buitenland konden gaan verdienen. Ze waren heel erg met zichzelf bezig en toen wij tegen die Bulgaren moesten, waren ze in hun hoofd al aan het vertrekken bij Ajax.”

Ze vertrokken ook, de dienende spelers, zij het niet onmiddellijk en niet allemaal tegelijk. Keizer stopte, abrupt, in 1974. De geroemde Amsterdamse jeugdopleiding en scouting schoten op dat moment te kort.

Van Dord: „Maar we krabbelden wel weer een beetje op. In 1978 haalden we de kwartfinale van de Europa Cup en twee jaar later zelfs de halve finale.” Dat was onder de jonge trainer Leo Beenhakker en in een seizoen dat Van Dord vanwege een slepende achillespeesblessure werd afgekeurd voor topvoetbal. In 1985 keerde hij als fysiotherapeut terug bij Ajax, dat twee jaar later met Cruijff als trainer de Europa Cup 2 won. Van Dord beleefde ook het succesvolle tijdperk Louis van Gaal, met triomfen in de UEFA Cup (1992) en de Champions League (’95) van nabij mee.

„Eigenlijk zijn we met Ajax altijd van succes naar succes gegolfd en de successen vielen samen met het tot bloei komen van bijzondere lichtingen jeugdspelers: de lichting Van Basten, de lichting De Boer, de lichting Kluivert. Maar ik ben bang dat de golfbeweging is stilgevallen.”

Oorzaak? „Geld is allesbepalend geworden. Het gaat om absurde bedragen en die worden zelfs betaald voor talenten die nog niets hebben bewezen.”

De topclubs bulken van het geld, ook al barsten ze van de schuld, en ze worden volgens Van Dord beschermd door het poulesysteem van de Champions League. „Vroeger, met het knockout-systeem, konden kleine clubs stunten tegen grote jongens. Maar die hebben nu alle kans een misstap goed te maken. En vroeger moesten de grote clubs het met een enkele buitenlandse topspeler doen, terwijl ze nu alleen maar buitenlandse topspelers hebben.”

Van Dord, nog altijd in dienst van Ajax, vindt dat zijn club tijd, geld en energie in de jeugdopleiding moet blijven steken. „Maar het is naïef te denken dat we het daarmee kunnen redden. We moeten hopen dat er toch zoiets als financial fairplay komt, maar ik zie het somber in. Het is te krankzinnig voor woorden dat wij Spaanse banken op de been houden die er voor zorgen dat Real Madrid voor honderd miljoen euro een speler kan kopen. Dat zou de Europese Commissie toch moeten verbieden en de UEFA zou tegen Real Madrid moeten zeggen: ‘Als jullie zoveel schulden maken, spelen jullie maar een tijdje geen Champions League’. Maar daarvoor geniet Real Madrid te veel bescherming, van grote politieke en commerciële machten.”

„En zelfs van de UEFA”, schampert Mulder. „Michel Platini ijvert zogenaamd voor die financial fairplay. Ha, ha, ha, ik moet daar erg om lachen, want meneer de voorzitter is zelf schaamteloos onderdeel van het establishment. En al zou hij de macht van de grote clubs willen breken,dan lukt hem dan nooit. Het is een zieke toestand. De grootmachten Engeland, Duitsland en Spanje hebben vier clubs in de Champions League. Dat zegt alles. Anderlecht mocht vorig seizoen pas meedoen na het spelen van een voorronde. Dus gaat het echt alleen maar om de commercie en die zorgt er ook voor dat de dip waarin Ajax momenteel zit structureel is.”

Is de aardigheid er voor de romanticus Mulder dan zo onderhand niet af? „Het is een schande allemaal, maar dan zie ik Barcelona schitteren, of Bayern, en dan ben ik verloren. Onze eredivisie is een wat armoedige competitie geworden, maar ik kan toch heel erg genieten van een Boëtius, of een Tadic. Alles wordt uitgezonden. Daardoor is de wereld nu zo klein dat ik rustig kan zeggen dat Barcelona net zo goed van mij is als Feyenoord en Ajax dat zijn. En daardoor valt er als romanticus godzijdank nog genoeg te genieten.”

Weet Mulder eigenlijk dat het veertig jaar geleden is dat het beste Nederlandse clubteam aller tijden in de Europa Cup knock-out ging? „Nou en of, als de dag van gisteren herinner ik mij hoe ik dat armetierige kleedhok kwam binnenstrompelen, mijn shirt in de hoek smeet en wat grabbelde in de binnenzak van mijn clubcolbert. En toen zag ik ze zitten: Jaap van Praag, de voorzitter, en secretaris Jan Westrik, dicht tegen elkaar aan, onder mijn kapstok. Ze zaten daar maar, te wachten op de onvermijdelijke ondergang van het grote Ajax. Met de knietjes angstig bij elkaar. Ach man, het was prachtig, maar ook zo vreselijk. Er hing daar in Sofia de geur van de dood.”