Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Discriminatie

Ik kwam naar het cafe op de hoek voor een biertje, maar kreeg een bord vol stukken leverworst en brokken kaas en een discussie over ‘Zwarte Piet’, die koers zette richting de bekende haven: dat je niet meer mag zeggen wat je wilt omdat alles discriminatie is. Eigenlijk wilde ik meteen van boord, maar omdat ik de schipper van dienst in de vorm van uitbater Henk, een kilo of 95 Amsterdamse eerlijkheid, inmiddels een beetje kende, bleef ik toch.

Hij zei het maar recht voor z’n raap: Hij had de buik vol van de overheid.

Een tijdje geleden had hij problemen gehad met een Marokkaanse jongen uit de buurt. Hij viel klanten lastig en wilde bij het weggaan de rekening niet betalen. Het ging om tien euro.

„Prima”, had Henk gezegd en hij pakte de mobiele telefoon van de jongen af.

De boel liep uit de hand, de politie kwam met twee man sterk.

Henk werd buiten gehoord, de jongen binnen.

Henk zei: „Die Marokkaan wil niet betalen.”

„Ho ho”, antwoordde de agent, „dat moet u anders verwoorden. U moet zeggen: die jongen wil niet betalen.”

In de opwinding versprak Henk zich nog twee keer, waarna een laatste waarschuwing volgde en een boete wegens discriminatie dreigde.

Een paar weken later, de zaak was in de tussentijd geschikt, de telefoon was geruild voor het verschuldigde tientje, belde de politie naar het café.

Of Henk aangifte wilde doen tegen ‘de Marokkaan’, ze hadden hem voor de lol eens nagetrokken op het bureau en ‘meneer’ bleek zo’n beetje de schrik van de buurt te zijn.

„Marokkaan?”, vroeg Henk. „Dat mag u zo niet zeggen, hoor. U moet ‘die jongen’ zeggen.”

Even later vroeg dezelfde man nogmaals of Henk aangifte wilde doen opdat ze ‘die Marokkaan’ van straat konden halen.

„Nu doet u het weer”, had Henk gezegd, „Ik doe geen aangifte, u discrimineert.”

Daarna had hij de verbinding verbroken.

Hij liet het bord met leverworst en kaas nog een keer rond gaan en keek me triomfantelijk aan. „Ze moeten wel normaal blijven doen, dan maar politiek correct!”

Ik keek in het lachende gezicht van de café-eigenaar en daarna naar de buik die vol zat van de overheid en dacht: ja, daar zit wel wat in.

    • Marcel van Roosmalen