Die Surinaamse tongval van Zwarte Piet is het probleem

Met de Surinamers kwam het accent mee. Dat leek geschikt voor Zwarte Piet. Helemaal fout, schrijft Stephan Sanders.

Het Sinterklaasfeest is een religie waarvan het overgrote deel van de leden, zeg negentig procent, ongelovig is. Toch draagt dat deel het feest, want juist de ongelovigen zetten een paar weken alles op alles om een kleine minderheid van tien procent, de allerjongsten, te laten geloven wat zij zelf niet meer geloven. De onuitputtelijke energie waarmee al die volwassenen en jong volwassenen, die fictie in stand houden – dat is wat mij het meest treft in Sinterklaas. Bovendien is het Sinterklaasfeest een kampeerreligie: tot de Zwarte Pietdiscussie in hevigheid losbarstte, zo’n tien jaar geleden, bestierde de Goedheiligman maar drie weken het land. Na 5 december loste hij op in het niets, en nam meteen ook zijn Boodschap mee, want daar hoorde je op 5 februari of 20 juli niets meer van. Maar zie, een jaar later komt dat geloof weer aangerold als een caravan: Sinterklaas slaat zijn kamp op, tijdelijk is iedereen in de ban, druk met surprises en gedichten, en stipt op 6 december is deze kermisgod weer foetsie. Een derwisj van de verbeelding – dat is de Sint. De introductie voor de allerjongsten in de wereld van het-tegen-beter-weten-in-geloven. Kortom, wees welkom in het rijk van de literatuur. Dat is de kern waar ik aan hecht.

Ik herinner me goed de tijd van half-geloven, zo rond je tiende: het was allemaal spel, werd je verteld, het was niet echt waar van die pakjes en de schoorsteen. Maar stond je oog in oog met Sint en Piet, dan ging je toch weer door de knieën en werd op z’n minst een ietsist. De aantrekkingskracht van het geloof was op dat moment reëler dan de zwaartekracht. En veel verleidelijker ook, want het leverde kadootjes op.

Magische herinneringen aan het Sinterklaasfeest: mijn Zwarte Piet sprak trouwens nooit met een Surinaams ‘accent’, want wij wisten in Twente in de jaren ’60 helemaal niet hoe zoiets zou moeten klinken. Daar kwam dus later verandering in: met de Surinamers die zich in Nederland vestigden, kwam ook de tongval mee, en die leek ontzettend geschikt voor zwarte Piet. Fatale fout. Piet werd van een fantasiefiguur een reële verwijzing naar de werkelijkheid. Er waren Surinamers die zich aangesproken voelden en gebruikt, op een onheuse manier.

Zwarte Piet maakte de verschrikkelijke vergissing dat hij ‘aanhaakte bij de belevingswereld van kinderen’, zoals pedagogen altijd zo stompzinnig adviseren. Leer ze iets wat ze al een beetje kennen. Nou, die kinderen kregen in toenemende mate te maken met Surinaamse vriendjes in de klas, en die zijn moeder was zwart, en die zijn vader een Antilliaan, en die Piet was dus eigenlijk van de etnische minderheid – want zo heette dat toen. En die etnische minderheid werd dus geacht pakjes te dragen voor een witte man, die zelf bisschopsheerlijk op een schimmel zat. ‘Nou lekker dan’. Ze hadden de pofbroek van Zwarte Piet absurd moeten vergroten, ze hadden nog veel uitbundiger veren op zijn muts moeten zetten; ze hadden duidelijk moeten maken dat elke overeenkomst met reëel bestaande mensen en/of situaties onzinnig is; dat Piet uit het Pantheon komt waar ook Pipi Langkous zetelt, samen met Minoes de Poes.

Maar het kwaad is geschied, en de onschuld, zo die er ooit was, laat zich niet meer terugtoveren, want dat lukt niet met onschuld. Dit is de situatie: sommige zwarte en bruine en gekleurde en ook een paar blanke Nederlanders voelen zich gekleineerd door Zwarte Piet. Gekwetst. Al met al halen ze geen meerderheid in het parlement, maar daar trekt de kwetsuur zich niets van aan, en de magie trouwens ook niet, want één iemand is al in staat om die de nek om te draaien. (God is dood, Sinterklaas bestaat niet.) Ook helpt het niet te redeneren met de kwetsuur. ‘Maar zwarte Piet is geen slaaf’. ‘Maar die kettingen van hem zijn geen ketenen.’ Argumenten maken de kwetsuur alleen maar kwaaier: waarom mag de anti-Zwarte Pietstem niet gehoord worden? Nou, dat is gebeurd.

Nooit eerder duurde het Sinterklaasfeest langer dan de afgelopen tien jaren: de Goedheiligman bivakkeert nu continu in Nederland dankzij deze brede maatschappelijke discussie. De kampeerreligie dreigt te veranderen in iets permanents, iets dat doorgaat en doordraaft. Dadelijk wordt het nog een dogma.

Spikkel Piet pimpelpaars, geef ‘m schoorsteenvegen in het gezicht, maak ‘m half blauw , half oranje, laat ‘m in z’n roze nakie lopen of z’n bruine bast. Maar red deze religie voor – letterlijk – de allerkleinste minderheid, bewaar deze kunst van het geloven, verlos ons van de betrekkingswaan en geef ons heden de broodnodige verbeelding. Amen.