De vette toon is laag, de dunne hoog

Of je hoge tonen als ‘hoog’ ervaart of als ‘dun’ is afhankelijk van je taal. Maar baby’s van vier maanden hebben beide associaties. Waarom dat zo is, is een raadsel.

In veel talen wordt toonhoogte overdrachtelijk beschreven: er zijn ‘lage’ en ‘hoge’ tonen. ‘Laag’ en ‘hoog’ zijn ruimtelijke termen die gebruikt worden om een eigenschap van geluid te benoemen: met een kleine of een grote frequentie. Maar her en der in de wereld zijn talen die het niet over ‘lage’ en ‘hoge’ tonen hebben, maar over ‘dikke’ en ‘dunne’ tonen. Een lage toon is ‘dik’, een hoge toon ‘dun’. Het blijkt dat zeer jonge kinderen al beide associaties hebben.

Taalwetenschapster Sarah Dolscheid, verbonden aan het Max Planck Instituut in Nijmegen, onderzocht beide metaforen. Ze promoveert daar vandaag op. Jonge kinderen van vier maanden oud blijken gevoelig te zijn voor zowel de associatie met ‘laag’ en ‘hoog’ als die met ‘dik’ en ‘dun’. Maar volwassenen zijn alleen nog gevoelig voor de metafoor die in hun moedertaal gebruikt wordt.

Dolscheid deed een experiment met sprekers van het Nederlands en sprekers van het Farsi (Perzisch), een taal met de dik-dun-metafoor. De proefpersonen kregen telkens een toon te horen en zagen tegelijkertijd op een beeldscherm een horizontaal balkje dat hoger of lager kon staan, of een verticaal balkje dat dikker of dunner kon zijn. Telkens moesten ze de toon die ze gehoord hadden nazingen. De visuele informatie (hoogte dan wel dikte van het balkje) was onafhankelijk van de hoogte van de toon.

Bij de Nederlandstaligen werkte het zien van de hogere en lagere balkjes verstorend op het nazingen van de tonen, terwijl de sprekers van het Farsi juist problemen hadden met het correct nazingen als ze te dikke of te dunne balkjes zagen. Omdat er in dit experiment geen taal aan te pas kwam, concludeert Dolscheid dat de proefpersonen ‘denken’ (interpreteren) in het systeem dat hun taal hen aanreikt.

Dolscheid deed ook een experiment met baby’s van vier maanden. Die zagen filmpjes met ofwel een oranje bal die omhoog en omlaag bewoog, ofwel een oranje balkje dat dikker en dunner werd. Daar zat geluid bij waarvan de toonhoogte ook steeds veranderde. Als die veranderingen mooi overeen kwamen met de bewegingen van de bal (bijvoorbeeld: bal gaat omhoog, toon gaat omhoog), of het dikker of dunner worden van het balkje (dunner balkje, hogere toon), bleven de baby’s langer kijken. Het is bekend dat baby’s van die leeftijd langer kijken naar dingen die ze al kennen. Dolscheid concludeert daarom dat de baby’s al bekend zijn met beide associaties (laag-hoog, dik-dun).

Mensen gebruiken ruimtelijke metaforen voor de meest uiteenlopende zaken: tijd (de tijd die voor je ligt, de tijd die achter je ligt), machtsverhoudingen (onder, boven), verwantschap (dichtbij, ver weg), etcetera. Dus waarom ook niet geluid? De associatie met ‘dik’ en ‘dun’ is ook voor een volwassene niet helemaal onbegrijpelijk. Dikke snaren klinken lager dan dunne snaren, dikke fluiten klinken lager dan dunne fluiten. Grote (dikke) dieren maken lagere geluiden dan kleine (dunne) dieren. „Maar het is moeilijk voor te stellen dat baby’s van vier maanden dat ook al weten”, zegt Dolscheid. „Die associatie met dik en dun moet dus ergens anders vandaan komen.”

Zo bekeken is ook de herkomst van de laag-hoog-metafoor moeilijk te duiden. Waarom wordt een hoge toon als (ruimtelijk) ‘hoog’ ervaren? Dolscheid: „Een mogelijke verklaring is dat we hoge en lage tonen onbewust associëren met de bewegingen van ons strottenhoofd. Als je een hoge toon maakt, gaat je strottenhoofd omhoog. Dat is een lichamelijke gewaarwording, waar je je als volwassene nauwelijks nog van bewust bent. Het zou kunnen dat die heel jonge kinderen dat voelen. Maar het kan ook zijn dat ze dingen zien bij hun ouders die die associatie oproepen. Er gebeurt in de eerste maanden al zoveel tussen de ouders en het kind.”

Of de assocatie met ‘laag’ en ‘hoog’ aangeboren is, of juist heel jong aangeleerd, blijft daarmee voorlopig onduidelijk.

    • Berthold van Maris