Beren

Mijn recente column over een moorddadige grizzlybeer in Alaska bracht allerlei herinneringen boven bij mensen die zo hun eigen ervaringen met beren hebben. Ik heb hen met respect gelezen en aangehoord, maar geen moment met jaloezie. Mijn drang naar avontuur wordt al bevredigd als ik op de Veluwe een wild zwijn tegenkom – en dan moet hij niet te lang naar me blijven staren.

Dat ik nooit de jungle ben binnengedrongen, ik beken het nu maar, heeft vermoedelijk vooral te maken met mijn afkeer van vogelspinnen en boa constrictors. Veel mensen vinden het prettig als zo’n dier ’s nachts opeens over je gezicht kruipt of een poging tot verwurging doet, maar ik geef de voorkeur aan de gewone, valse Hollandse mug die ik met een vliegenmepper wellustig kan pletten.

Bij die beren lukt dat niet, al maken ze soms een vriendelijke indruk. Nederlandse toeristen in Canada vertelden me dat ze in de buitenwijk van een stadje een beer voor een huis zagen liggen, terwijl aan de overkant een kind speelde.

In Nederland, waar we al in de war raken als we in Luttelgeest een dooie wolf vinden, zou zo’n tafereel opening van het NOS Journaal zijn geweest. Premier Rutte zou ons waarschuwen: „Wij kunnen de beer ontmoedigen, maar niet aan de grens tegenhouden.”

Ik kreeg een reactie van een Nederlandse, die al heel lang op Vancouver Island woont. „Hier op het eiland zijn alleen zwarte beren en gelukkig geen grizzly’s. ik zeg ‘gelukkig’ omdat zij zoveel groter en sterker zijn. Ik heb inderdaad een keer vlak tegenover een zwarte beer gestaan, maar hij zat in een boom en onder die boom stonden twee grote honden tegen hem te blaffen. Die beer wilde daar zo snel mogelijk weg. En zo gaat het altijd, ze hebben het liefst helemaal niets met mensen te maken.

„Hier in de omgeving lijkt het samenleven van mens en beer steeds beter te gaan. We worden hun aanwezigheid steeds meer gewaar, maar niemand schrikt er nog van of roept er de politie bij. We gedragen ons verantwoordelijk door fruit niet te lang aan de bomen te laten hangen. (…) En in het bos, als je denkt dat er beren zijn, is het verstandig om geluid te maken, te praten of te zingen, want als ze je horen blijven ze echt niet op je zitten wachten. Je loopt alleen gevaar als je ze zou verrassen, met een jong.”

Mijn journalistieke collega Doris Grootenboer herinnerde mij aan een stukje dat ze in 2000 op deze Achterpagina had gepubliceerd. Het betrof haar ervaring in 1983 in het Canadese Jasper National Park. Ze kampeerde daar met een vriend. ’s Morgens om vijf uur zag ze een grote zwarte beer bij hun tent rommelen. Haar vriend ging hulp halen, zij bleef een uur lang alleen achter met een beer op enkele meters afstand.

„Hij rukt de achterportieren van de camper open, sleurt de vries- en eetkisten eruit, slaat de vergrendeling met zijn grote patten open en rukt alles eruit. Een omnivoor die groente, fruit en vlees met plastic verpakking en al opvreet. Hij mept, breekt en scheurt en gooit alles overhoop, het is een geweldsorgie.”

Als toegesnelde toeristen foto’s van hem willen maken, snelt hij boos op de tent af en gaat voor de ingang liggen. Doris duikt in paniek naar achteren. In de verte rammelen mensen met potten en pannen om hem weg te jagen. Hij is niet onder de indruk, eet nog wat tomaten, de laatste maïskolf en enkele gehaktballen en kuiert dan weg.

Een ongelikte beer.

    • Frits Abrahams