Als rechter heb je vaak niet het complete beeld

Steeds vaker worden in strafzaken camerabeelden en foto’s getoond. Maar daar staat of valt een zaak meestal niet mee, zegt strafrechter Sebastiaan Hermans. En hij kan het weten want hij is vrijwel blind. Het strafdossier leest hij met een brailleleesapparaat.

Hij hóórt het als een verdachte onderuitgezakt zit. „Probeer zelf maar eens een verhaal met flair te vertellen als je in je stoel hangt.” Maar hij kan niet zien of hij gelijk heeft.

Sebastiaan Hermans, strafrechter van 35, is zo goed als blind. Alleen met zijn linkeroog ziet hij 6 procent. Hij kan zien dat er niets aan de witte muren hangt in het kamertje op de rechtbank waar we zitten. Hij ziet dat de interviewer iets donkers draagt, met korte mouwen. Maar een gezicht ziet hij niet en al helemaal niet de uitdrukking op dat gezicht.

Hermans is al zes jaar strafrechter bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch die sinds kort rechtbank Oost-Brabant heet. Hij doet zittingen samen met twee andere rechters (meervoudige kamer) maar ook alleen (als politierechter).

Zijn rechteroog is van plastic. Het echte oog is weggehaald. Hij had last van de zon als die in het oog scheen. Ook al zag hij daar helemaal niets mee, hij kneep het toch dicht. Het irriteerde en het ging steeds dichter zitten. Mensen denken vaak dat hij met het plastic oog kan zien. Hij zou het er nooit om gedaan hebben, maar hij vindt het een prettige bijkomstigheid dat het er „esthetisch” uitziet.

Tijdens de zittingen gebruikt hij een brailleleesapparaat, gekoppeld aan een gewone laptop. Hij kan daarmee in het dossier lezen voorzover dat digitaal beschikbaar is. Papieren dossiers leest hij op zijn kamer met een speciale loep onder een felle lamp, letter voor letter. Hij denkt niet dat het veel langzamer gaat dan bij ziende mensen. „Maar wat ik niet kan, is even snel in een dossier een relevante passage opzoeken. Ik moet echt alles doorlezen.”

In de rechtszaal belemmert zijn handicap hem nauwelijks, zegt Hermans. Hij beoordeelt de feiten en omstandigheden van een zaak, „zoals rechters geacht worden te doen”. Daarbij vindt Hermans dat alle rechters voorzichtig moeten zijn met het trekken van conclusies op basis van non-verbale communicatie. „Je kúnt niet vaststellen of iemand liegt. De rechters die denken dat ze dat wel kunnen – en die zijn er – moeten ontslag nemen.”

Vrouwe Justitia oordeelt met een blinddoek, zonder aanzien des persoons. Maar Hermans moet zich als ieder ander wapenen tegen vooroordelen. „Ik zie geen huidskleur, maar ik weet de achternaam van een verdachte en hoor accenten.” Marokkaanse verdachten, zegt hij, zijn als groep heel eenvormig. „Als je ziet hoe die op zitting verschijnen. Het is zo’n eenheidsworst. Allemaal een onverschillige houding. Allemaal ontkennen, ook bij een overdaad aan bewijs.” Hermans merkt soms „een geïrriteerde houding” bij zichzelf en probeert dan „niet te snel” te denken: „Ik ben er wel klaar mee.” Want een ontkenning kan kloppen.

Als hij praat, gebruikt Hermans geregeld woorden van zienden. Hij heeft het over wat een verdachte ‘uitstraalt’. Hoe hij naar ‘de verschillende kanten van een zaak kijkt’. En hij zegt: „Als je ziet hoe die op zitting verschijnen.”

Een enkele keer is zijn blindheid een voordeel. Hij had als rechter een goed gesprek met een verdachte: „een sympathieke kerel”. Na afloop zei de griffier dat zij dat gesprek niet op die manier had kunnen voeren omdat ze de man te eng vond. Zijn hele gezicht zat onder de tatoeages.

Een nadeel is zijn blindheid als bewegend beeld een belangrijke onderdeel is van het bewijs. In steeds meer zaken worden beelden op de zitting getoond. In de zaak-Robert M. wilde het Openbaar Ministerie dat rechters de kinderporno bekeken die M. had gemaakt. In een zaak van een ontsnapte tbs’er werd een close-up getoond van het verminkte gezicht van het slachtoffer.

Foto’s kan hij vooraf met de loep bekijken. Bewegend beeld niet. In een rechtszaak met meerdere rechters bekijken zijn collega’s de beelden als dat nodig is. „Feitelijk zou je kunnen zeggen dat dat niet een waarneming van dé rechtbank is. Maar er heeft nog nooit een advocaat bezwaar gemaakt. Ik zou me er trouwens niet persoonlijk door aangevallen voelen als dat wel gebeurt.” Meestal „valt of staat een zaak niet” met een foto, zegt Hermans. „In de twee voorbeelden die je noemt, wilde het OM – vermoed ik – de érnst van de gevolgen tonen. Beeld is dan ondersteunend, niet doorslaggevend.” En ook dan moet alle rechters kritisch blijven, vindt Hermans. „Een foto van een bebloed gezicht kan er schokkend uitzien. Wat ertoe doet is welke feitelijke verwondingen overblijven als het bloed is weggeveegd.”

Er is één zaak geweest waarvan Hermans achteraf dacht: die had ik beter niet kunnen doen. Het ging om uitgaansgeweld, gepleegd door een groep jongens. „Er waren 10, 12 verdachten. Dan moet je echt heel precies kunnen bekijken wie wat doet, op camerabeelden.” En dat kon hij niet. Hij hield er een „glad-ijsgevoel” aan over. Nu, ervarener, zou hij zich terugtrekken.

Als kind had hij „reële verwachtingen” van zijn toekomst. „Ik heb nooit autocoureur willen worden.” Dat hij minder mogelijkheden had, maakte het kiezen eenvoudiger. Rechten. „Ik wist dat er een blinde rechter was. Ik denk dat mijn vader me daar op had gewezen. Hij was zelf ambitieus, is na jaren leraarschap directeur van een basisschool geworden. Liet dat te pas en onpas vallen bij vreemden, dat hij directeur was. Ik heb gedacht: rechter worden, dat kan blijkbaar.”

Zijn ouders hebben hem niet beschermd opgevoed. Juist niet. Op zijn achtste lieten ze hem met de trein van Geldrop naar Best reizen, inclusief overstappen in Eindhoven. ‘Ga het maar doen.’ „Ik was daar wel eens boos over. Dacht: het kost mij uren en jullie zijn er met de auto in een kwartier.”

Van zijn zesde tot zijn zevende zat hij op een internaat voor blinden en slechtzienden. Dat was tot de jaren tachtig een vanzelfsprekendheid, zegt hij. Vier nachten in de week sliep hij er, in een groep van vijftien kinderen, met een woonbegeleider.

Zijn vader ergerde zich „groen en geel” als hij er op bezoek kwam. Er waren daar veel blinden en slechtzienden die „wiebelden”, zegt Hermans. Hij doet het voor door zijn bovenlijf van voor naar achteren te bewegen. „Het is sociaal onaangepast gedrag en heel makkelijk af te leren.” Maar dat gebeurde niet op het internaat. Waarom zou je ziende normen opleggen in een donkere wereld?

Toen hij zeven werd, stuurden zijn ouders hem naar een gewone school. „Ik denk dat ik daardoor assertiever ben geworden. Ik verwacht minder dat anderen wel iets voor me zullen regelen. Dat zij zich aan mij aan zullen passen.”

Blinden die hun hele jeugd in een internaat hebben gezeten haalt hij er vaak zó uit. „Als op iedere deur in braille staat wat er achter zit, ga je verwachten dat de wereld zo is.”

Hij verwachtte het van niemand, maar is „erg te spreken” over de aanpassingsbereidheid van bijvoorbeeld docenten in zijn middelbareschooltijd. Dat is ook een wisselwerking geweest, zegt hij. „Het hangt samen met je eigen opstelling. Sommige mensen hebben altijd conflicten, ik nooit.”

Hermans is slechtziend geboren, net als zijn jongste broer. Ze hebben de erfelijke variant van microftalmie, waarbij in de baarmoeder de aanleg van het oog hapert. De aandoening kan generaties in regressie blijven. Een andere broer en een zus van Hermans zijn ziend en hij heeft zelf twee ziende dochters, van tweeënhalf en vijf. Het werk van rechter past bij hem, vindt hij. „Ik kan goed naar alle kanten van een zaak kijken, de belangen afwegen en dan een zuiver besluit nemen. Een zo goed mogelijk besluit, in het volle besef dat je als rechter vaak niet het complete beeld hebt.”

    • Merel Thie