Verwijt van Ombudsman gaat ver, maar is niet te negeren

Nationale ombudsman Alex Brenninkmeijer kon gisteren zijn kraag opzetten. Zijn uitspraak op tv in Buitenhof dat het Nederlandse politieke tij racistisch en discriminatoir is, leidde op de sociale media meteen tot veel verwijten ad hominem. Daarmee was in zekere zin zijn punt ook aangetoond. Het publieke debat is hier inderdaad hard en bot. Wie buiten de rechts-politieke correcte consensus treedt over ‘buitenlanders’ krijgt er meteen van langs. ‘Boekje te buiten’ was nog het meest diplomatieke verwijt.

Nu is het verwijt van ‘racisme’ ook uitzonderlijk hard. Het doet vermoeden dat zwart en blank zich bij de overheidsloketten hier in aparte rijen moeten opstellen. Dat is niet zo, althans zo op het oog. ‘Racisme’ past ook helemaal niet bij het zelfbeeld dat Nederland koestert als verdraagzaam land, waar hooguit de laatste jaren populisten wat meer podium hebben gekregen. Toch is de werkelijkheid hier tamelijk bar, voor wie getint is, Aygul of Jibril heet en een baan of stageplek wil. Wie niet blank is, wordt in dit land eerder gefouilleerd, om een ID gevraagd of in het verkeer staande gehouden.

Het vriendelijkste advies uit het buitenland is dat ‘wij’ hier vergeten onze diversiteit te managen. Maar luisteren doen we niet. Brenninkmeijer fungeert als klokkenluider en krijgt daarna meestal te horen dat hij ‘te politiek’ is. Gelukkig interesseert hem dat niet.

Vorige week kwam er een kritisch rapport van de Raad van Europa uit dat aan het Binnenhof ostentatief opzij werd gelegd of zelfs weggehoond. Brenninkmeijer heeft zonder meer gelijk als hij deze houding laakbaar noemt. De Raad van Europa is al decennia het onbetwiste ijkpunt van de mensenrechten in 47 landen. Wie zich zorgen maakt over het recht om in Istanbul te mogen demonstreren of over de behandeling van gearresteerde activisten in Moermansk, die heeft maar één politiek wapen en dat is de Raad van Europa. Het Europees verdrag voor de rechten van de mens is immers bindend.

Europese monitorrapporten uit Straatsburg zouden met dezelfde ernst moeten worden behandeld als die van de eigen Rekenkamer. Het politieke en maatschappelijke establishment wenst echter Europese kritiek op het inburgeringsexamen, op de haattaal van sommige politici, op de uitbuiting van migrantenarbeiders, op het officieel stigmatiseren van buitenlanders, op antisemitische spreekkoren, op vijandige en discriminerende taal in media, te negeren. Dat is behalve kortzichtig en onjuist op langere termijn ook desastreus. Het tast het morele gezag aan waarmee Nederland andere landen aanspoort om zijn burgers beter te behandelen. En het verschaft die landen een alibi om te doen zoals Den Haag doet: ongenaakbaar de andere kant op kijken. Dat is inderdaad ‘echt ongezond’. Een volwassen en verantwoordelijk land doet aan kritische zelfreflectie.