Thomas Blondeau (1978-2013): ‘Je moet leren leven met je angsten’

Foto Foto Jef Boes / De Bezige Bij

Dit weekend overleed de Vlaamse schrijver Thomas Blondeau plotseling, op 35-jarige leeftijd. In de zaterdagbijlage van nrc.next stond nog een interview met hem, door Floor Rusman. Over zijn nieuwe roman, zijn liefdesverdriet en zijn angsten.

Tijdens zijn studie Literatuurwetenschap in Leiden maakte hij mensen soms wijs dat hij de zoon was van Hugo Claus en Sylvia Kristel. Dat is volgens hem het leuke aan emigreren: je kunt een nieuw verhaal over jezelf bedenken. En je mag mislukken of ten minste middelmatig zijn, niemand heeft het door.

Dat laatste was de reden dat Thomas Blondeau (35) vijftien jaar geleden uit zijn West-Vlaamse dorp naar Nederland verhuisde. In Nederland kon hij ongemerkt schrijver worden – of ongemerkt falen. Drie romans later woont hij hier nog steeds. In zijn Amsterdamse appartement schenkt hij bijzonder bier: tripel van de Sint-Sixtusabdij van Westvleteren. Internationaal bierplatform RateBeer verkoos het tot het beste bier ter wereld, maar het wordt in beperkte hoeveelheden gebrouwen. “Mijn ouders nemen dit elk jaar voor me mee. Ze staan ervoor in de rij. Je moet het niet koelen, dan proef je niet hoe bijzonder het is.”

Blondeau is in zijn nopjes met zijn leven. Sinds een half jaar heeft hij een nieuwe vriendin – Liesbet, leider van een Brussels dansgezelschap –, zijn derde roman Het West-Vlaams Versierhandboek is net uit en kreeg positieve recensies.

De voorspoed is recent: lange tijd worstelde hij met liefdesverdriet. Drie jaar was hij samen met een meisje dat zo bijzonder was “dat de luchter aanging als ze binnenkwam”. Een paar jaar geleden ging het uit. “Om er niet aan te hoeven denken gooide ik mijn tijd vol met boeken, uitgaan, vrienden en meisjes. En met werk, veel werk.”

Blondeau doet alles tegelijk. Hij is redacteur bij de Leidse universiteitskrant Mare, schrijft columns voor verschillende Belgische media waaronder De Standaard, en hij stelde twee verhalenbundels samen. In de tijd die overbleef werkte hij aan zijn derde boek.

Het West-Vlaams Versierhandboek kwam in september uit. Hoewel fictie, is het Blondeaus meest autobiografische boek tot dusver. Hoofdpersoon Raf vertrekt na een mislukte relatie naar zijn West-Vlaamse geboortedorp om aan een roman te werken. Wat bedoeld was als een cathartische reis mondt uit in een confrontatie met het onvolmaakte leven. Rafs geboortedorp blijkt zich onder leiding van een obese volksmenner te hebben afgescheiden van België. De mini-utopie die de nieuwe leider de bevolking voorspiegelt, blijkt al snel een farce. En ook op persoonlijk vlak is er weinig zicht op verbetering. In een poging zijn ex te vergeten stort Raf zich op een nieuw meisje, dat hij zo ophemelt dat hij zichzelf wederom verliest.

Een politieke en een romantische laag zijn in het boek met elkaar verweven. Ze hebben elkaar nodig, zegt Blondeau: „Hoe kan het dat veel schrijvers zich willen beperken tot maar één sfeer van het leven? Politiek gaat over macht en besturen. Als iets over macht gaat, is het ook verlangen en liefde.”

De moddervette leidersfiguur uit het boek, Goeminne, is gebaseerd op Nederlandse en Vlaamse populisten met in het oog springende fysieke trekken: “De flamboyante homoseksueel die van Marokkaanse jongens in de darkroom hield, de man met vreemd geblondeerd haar, Dedecker die Olympisch judocoach was en de tot voor kort zeer corpulente Bart De Wever.”

Waarom wilde je over populisme schrijven?
“Ik vind het niet fijn om in een land te leven waarin de discussie gaat over iets wat ik achterhaald acht, namelijk de natiestaat. In de geschiedenis heeft die, net als godsdienst, voor coherentie gezorgd. Maar net zoals je godsdienst niet weer kunt invoeren om een coherente samenleving te krijgen, kun je nationalisme niet weer invoeren, zoals de PVV wil. Ook in Vlaanderen zijn de natiestaat en de discussie over autonomie erg aanwezig. Er worden nu zelfs anderstalige opschriften op winkels geweerd. In Kortrijk zou een frituur openen met de naam Grand Place. Iemand van de gemeentepolitiek zei: zou je dat wel doen? Toen werd het Grote Markt.”

“Die discussie over nationale identiteit is vaak belachelijk. Sommige Vlaamse nationalisten willen ervan maken dat we al bestonden in de tijd van Caesar en eerder, dat er altijd al een groep mensen is geweest tussen Zeeland en Noord-Frankrijk die heel anders was. Dat is natuurlijk niet waar.”

Geloof je helemaal niet in verschillen tussen volkeren? Tussen, bijvoorbeeld, Nederlanders en Belgen?
“Jawel, zeker wel. Nederlanders zijn minder hiërarchisch en meer gesteld op praten - zowel op het werk, de vergadercultuur, als privé. Het aantal zelfmoorden ligt in West-Vlaanderen twee keer zo hoog als in Noord-Holland. Dat komt onder andere doordat Nederlanders makkelijker praten over hun emoties.”

Voel je je nog steeds Vlaming?
“Ik ben wel vernederlandst, natuurlijk. Laatst zat ik in een jury, en daar was ik het meest aan het woord. Maar ik zal ook altijd een kind blijven van mijn ouders, van mijn streek. Nu ik een Belgische vriendin heb kom ik er weer vaker en kan ik dingen doen die ik lang niet heb gedaan. Op zondag naar de bakker, bijvoorbeeld. Ja, ja, nostalgie… Maar ik weiger mijn identiteit te laten gebruiken door politici of zakenmannen. Van die mensen die zeggen: dit is echte West-Vlaamse software! Echte West-Vlaamse paté!”

Hoe kritisch Blondeau ook is over het populisme, hij herkent de wens naar iemand op te kijken. Dat is wat politiek gemeen heeft met de liefde, het andere grote thema van Het West-Vlaams Versierhandboek: “Was het Hegel die Napoleon zag langskomen en zei: ‘Ik heb de wereldziel gezien – een man die je onmogelijk niet kunt bewonderen’? Veel verstandige mensen zijn gevallen voor charismatische figuren. Ik denk dat wij dat allemaal graag willen. Als je iets aanbidt dat groter is dan jijzelf, verhef je jezelf. Je zal maar geleefd hebben zonder de absolute liefde gekend te hebben. Ik wens het je niet toe. Van Martha Nussbaum tot Coldplay is de liefde datgene wat het allemaal de moeite waard maakt.”

Dat klinkt prachtig, maar Raf wordt niet gelukkig van zijn geliefde. Waarom gaat hij er dan toch mee door?
“Zelfs als de zaak hopeloos is, kunnen we niet anders dan verder gaan. I can’t go on, I’ll go on, zoals Beckett schreef. Mijn hoofdpersoon wil niet toegeven dat hij gefaald heeft. Door je vast te ketenen aan wat je ongelukkig maakt, probeer je met terugwerkende kracht je eigen fouten uit te wissen.”

In je boek lijkt het idealiseren van de geliefde meer een afwijking dan een noodzakelijk onderdeel van de liefde.
“Ikzelf zou niet kunnen leven zonder het concept van utopie. Zoals de filosoof Maurice Blanchot ooit zei: het dichtste dat we bij utopie kunnen komen is als twee geliefden in een bed liggen en er niet eens meer woorden nodig zijn om samen te zijn. Dat duurt maar heel kort, op een gegeven moment moet je naar de wc of de kat binnenlaten.”

Heb jij vaak zo’n moment gehad?
“Ja, absoluut. En daarom voel je je ook des te meer verraden als het stukloopt op [hij zet een gek stemmetje op] ‘het ging niet’”.

Hoe ben je van je liefdesverdriet afgekomen?
“Jaren geleden ging ik naar McDonald’s. Ik voelde me bij voorbaat schuldig tegenover de planeet én mijn lichaam. Maar toen draaide het meisje achter de kassa zich om. Je verwacht het niet, want ze had zo’n polo en een klep, maar ze was héél mooi. Toen besefte ik: er zijn zo veel mensen die fantastisch zijn. Ik zal ze nooit allemaal ontmoeten, laat staan zoenen, maar dat geeft niet. Achter de hoek, in de rij, kan iets zijn wat de moeite waard is. Dat heeft me altijd gaande gehouden.”

Zijn werk als journalist helpt Blondeau bij het ontmoeten van interessante mensen die zich ‘om de hoek’ bevinden. “Dankzij journalistiek heb ik een Nobelprijswinnaar en pornosterren gesproken. Het doet mij veel genoegen zoveel mogelijk van de wereld te leren kennen, daarom ben ik ook journalist en schrijver, en geen kluizenaar. Alleen mijn angsten weerhouden me er soms van daarin verder te gaan dan ik al doe.”

Welke angsten?
“Ik ben bang om arm te zijn. Ik ben bang om niets te doen. Ik ben bang voor fietsen in Amsterdam. Vaak zie ik ook op tegen ontmoetingen – een angst is het niet, maar ik moet me ertoe zetten. Bijna iedere afspraak wil ik eigenlijk afzeggen. Dat doe ik natuurlijk niet. Ik geloof heilig in het adagium: doe elke dag iets waar je bang voor bent. Het kan gaan om kleine dingen: toch die persoon aanspreken die er gevaarlijk uitziet en wiens muziek te hard staat. Je moet leren leven met je angsten. We zitten allemaal in een cel, maar we kunnen hem aangenaam aankleden.”

Zijn eigen cel kleedt hij voornamelijk aan met boeken. Blondeaus kamer ligt er vol mee: op slordige stapels onttrekken ze de verwarming aan het zicht. Ze hebben hem geholpen in periodes dat het niet goed ging. „Het mooie van lezen is dat je het overal en altijd kunt doen. Met boeken is eenzaamheid vrijheid, grenzeloos. Daarom is het jammer dat literatuur iets is voor kenners, voor een bepaald soort mensen.”

Welke boeken hebben je geholpen?
Op het lichaam geschreven van Jeanette Winterson is misschien wel het beste boek over liefdesverdriet. De liefdesgedichten van Hugo Claus, de dagboeken van Sylvia Plath en het rouwdagboek van Roland Barthes. Op een gegeven moment wordt Barthes vergeven van rouw omdat zijn moeder overlijdt. Dan zie je dat deze fantastisch slimme man, die zijn eigen cultuur kon openbreken en een rebel was op zijn manier, niet anders kan dan in clichés praten over het enorme verdriet dat hem getroffen heeft. Dat vind ik absoluut troostend. Vanwege het simpele besef dat iemand tegen je zegt: je bent niet alleen, het is niet gênant.”

Hoe heb jij zelf leren schrijven?
“Veel lezen en ijdelheid. IJdelheid omdat je zelf iets wil toevoegen aan wat er al bestaat. Er is maar één schrijftip, en dat is gewoon gaan zitten en zorgen dat er iets op papier komt. Dat is echt het enige. Al die schrijfscholen mogen morgen de fik in gaan.”

Hij heeft veel aan te merken op wat er nu verschijnt. “Boeken die zijn samengesteld uit andere boeken. Ik zie er thema’s van vorige generaties in terug. Soms heel letterlijk: mensen van twintig die schrijven over Bob Dylan en Billy Joel. Het zijn vaak onderwerpen als klassieke muziek, Venetië, de stadse middenklasse, mensen aan de universiteit. Milieus van schrijvers zelf – dat kan, maar doe het dan op een interessante manier, injecteer het met de illusie van authenticiteit.”

Zelf deed Blondeau dat door in zijn laatste boek voetnoten toe te voegen waarin hij de overpeinzingen van de hoofdpersoon over het schrijven weergeeft. Raf citeert hierin vrienden die adviezen geven als: ‘Beetje seks erin. Iets met godsdienst, misschien? Nee? Geen strenggelovige jeugd gehad? Jammer, dat verkoopt goed bij vrouwen van boven de veertig.’

De metalaag in het boek irriteert sommige lezers, geeft Blondeau toe. Maar hij heeft wel een functie. “Uitgevers en mensen in het literaire circuit hebben vaak tegen mij gezegd: ‘Doe gewoon zo’n Dimitri Verhulst/Louis Paul Boon-dingetje. Dat kun je toch wel? Een Helaasheid der dingen-achtig boek, pedofiele pastoor, tl-licht in cafés, mensen die in een mestput vallen.’”

“Mijn titel vonden ze ook niet goed, te gewaagd. ‘Noem het Alles blinkt ofzo’, zeiden ze dan. Mijn boek wil kritiek geven op het idee dat je schrijver bent om boeken te verkopen in plaats van om iets te zeggen.”