Nut van 6.000 apenproeven ‘zeer beperkt’

Voor de ontwikkeling van nieuwe biotech-medicijnen hebben proeven bij apen geen zin.

Biotechnologische medicijnen voor de mens worden standaard getest op apen voordat ze de markt op mogen. Maar het nut van de 6.000 apenproeven die de afgelopen 25 jaar voor dit doel gedaan zijn, was „zeer beperkt”.

Veel van de medicijnstudies, met name die waarbij chimpansees werden gebruikt, zijn slecht uitgevoerd. Verder werden nooit onverwachte bijwerkingen ontdekt.

Dat concludeert biofarmaceutisch onderzoeker Peter van Meer na bestudering van alle 33 Europese registratiedossiers van zulke geneesmiddelen. Van Meer promoveert aanstaande woensdag aan de Universiteit Utrecht. Hij voerde zijn onderzoek uit met geld van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) en Nefarma, de koepelorganisatie voor farmaceutische bedrijven in Nederland.

„We moeten af van het standaardpakketje dierproeven”, vindt Van Meer. „Voor elk medicijn zouden we een specifiek, compact onderzoek moeten opzetten op basis van een wetenschappelijke hypothese.”

Het onderzoek van Van der Meer gaat over biotechnologische medicijnen: de zogeheten ‘monoclonale antilichamen’ (mab). Dat zijn antistoffen die specifiek een menselijk eiwit remmen. Vooral moderne kankermedicijnen en ontstekingsremmers zijn mab’s.

Omdat de werking van mab’s zo specifiek is voor de mens, geven ‘gewone’ proefdieren zoals ratten en muizen geen goed beeld van hun werking. Farmaceutische bedrijven kiezen er daarom bijna altijd voor om dierproeven (een standaardpakket volgens internationale richtlijnen) bij apen uit te voeren. Maar uit de inventarisatie van Van Meer blijkt dat ook die proeven meerdere tekortkomingen kennen. „Het grootste probleem van de apenstudies is dat de medicijnen in apen afweerreacties opwekken.” Bij 9 mab’s kwamen deze afweerreacties zo vaak voor dat ze de interpretatie van de dierproeven bemoeilijkten.

Afgezien daarvan is de werking van mab’s zo uitgekiend, dat alle andere ‘bijwerkingen’ bij apen te voorspellen waren aan de hand van farmacologische kennis over het medicijn. „Al is het een beperking van ons onderzoek dat we geen gegevens hebben over middelen die nooit op de markt kwamen”, aldus de promovendus.

Verder voldeed de studieopzet vaak niet. Vooral bij chimpanseestudies werden, juist om ethische redenen, zo weinig dieren gebruikt dat de resultaten onbetrouwbaar werden.

Van Meer kreeg via het CBG toegang tot de dossiers van alle 33 mab’s die sinds 1988 in de Europese Unie op de markt zijn gekomen. De meeste zijn in de afgelopen 15 jaar ontwikkeld. Voor de markttoelating van 27 van de 33 medicijnen gebruikten farmabedrijven apen. In totaal ging het om 6.045 apen, waarvan 85 procent Java-apen (een soort makaak).

Een samenvatting van de studie van Van Meer en collega’s verscheen deze maand in Nature Biotechnology.

    • Hester van Santen