Muziek draagt het verhaal van de tambú

De tambú is een Curaçaose trommel, een kleine conga gemaakt van een rumvaatje bespannen met geitenvel. Het is ook de naam voor de muziek die eraan verbonden is. Zo’n trommel, geërfd van hun vader, staat in de voorstelling Tambú symbool voor de identiteitsstrijd tussen twee broers en voor het culturele erfgoed van Curaçao. De broers weten van elkaars bestaan, maar zijn afzonderlijk opgegroeid in Nederland en Curaçao. De een is zwart, gespeeld door Albert Schoobaar, de ander een dubbelbloed, gespeeld door Kees Scholten. Hoewel hun vader, die symbool staat voor Curaçao, ‘eist’ dat ze kiezen voor de traditie, is die keuze voor hen een worsteling; zij willen óók hun eigen geest in onafhankelijkheid vormgeven. Die spagaat wordt door de acteurs doorleefd getoond.

De ene broer is topsporter en staat voor de keuze of hij voor Nederland of voor Curaçao moet uitkomen. Dat is in feite het dilemma van iedere Curaçaonaar die in Nederland studeert: blijf je hier om carrière te maken, of ga je terug om je land op te bouwen, met alle problemen van dien.

De sfeer van de voorstelling is treffender dan het verhaal, dat verteld wordt via een aaneenschakeling van korte scènes, afgewisseld met muziek. Soms zou je willen dat die scènes verder uitgediept waren en dat andere facetten van de personages zouden worden belicht. De relatie tussen Curaçao en Nederland, het slavernijverleden en het kolonialisme komen allemaal langs; een sterke rode lijn die al die thema’s bijeenbindt had de voorstelling goed gedaan. Door het snelle schakelen dreigde het verhaal te verbrokkelen, hoewel het schitterend culmineerde in het slotlied van Izaline Calister. Zij zong een tambú zoals weinigen dat in Nederland kunnen.

Vanaf het begin was het de muziek van componist Jef Hofmeister, vertolkt door drie zangeressen en vier musici, die het verhaal voortstuwde. Via de muziek veranderde de sfeer en verplaatste het verhaal zich van de eilanden naar Rotterdam en weer terug naar Curaçao, en via de muziek werden de personages feilloos geportretteerd.

De scène die zich afspeelde in de Campo Allegre, een bordeel op Curaçao waar de vader zijn frustraties wil vergeten, trof mij bijzonder. Albert Schoobaar zette een van die hoeren zo schrijnend neer dat de hele zaal de adem inhield. Op zulke momenten was de combinatie van spel en muziek op haar best en drong de tragiek van de situatie zich onontkoombaar aan je op.

    • John Leerdam