Klokkenluidershuis, het zoveelste integriteitsclubje

Goede bedoelingen te over, maar het ontbreekt aan werkbaar integriteitsbeleid, aldus drie deskundigen.

illustratie adam zyglis

Volgende week spreekt de Tweede Kamer over een initiatiefwetsvoorstel om een Huis voor Klokkenluiders op te richten. Een meerderheid tekent zich reeds af. Klokkenluiders zijn belangrijk. Ze brengen – vaak met persoonlijke opoffering – misstanden aan het licht, zodat die onderzocht en aangepakt kunnen worden. Het is daarom onze morele plicht klokkenluiders zo goed mogelijk te ondersteunen.

Er zijn nogal wat minpunten aan het voorstel, maar laten we eerst het organisatieplan eens onder de loep nemen. Het idee is om het Huis onder te brengen bij de Nationale Ombudsman. Diezelfde Ombudsman krijgt ook de onderzoeksfunctie. Volgens initiatiefnemer Ronald van Raak (SP) zou het Huis voor Klokkenluiders een unicum in de wereld zijn. Dat klopt. Nergens anders in de wereld wordt een klokkenluidershuis – een naam die veiligheid en bescherming voor de klokkenluider belooft – gecombineerd met de bevoegdheid de gemelde misstand te onderzoeken. Daar is een goede reden voor. Neutraliteit is een vereiste om tot een goed oordeel te kunnen komen of de aangeleverde informatie over een vermeende misstand een onderzoek rechtvaardigt en – als dat het geval is – dat onderzoek grondig en fair uit te voeren.

Die neutraliteit verhoudt zich slecht met bescherming bieden aan slechts één van de partijen. Het is daarom essentieel de bescherming van klokkenluiders optisch en organisatorisch duidelijk te scheiden van het onderzoek naar de melding. Het wetsvoorstel wekt nu verwachtingen bij kwetsbare mensen, die niet kunnen worden waargemaakt. Dat is kwalijk voor de klokkenluiders en schaadt ook de integriteit van ons bestuur.

Het geheel aan organisaties dat zich met integriteit en goed besturen bezig houdt is inmiddels behoorlijk onoverzichtelijk. We kennen bijvoorbeeld het Adviespunt Klokkenluiders dat doorverwijst naar anderen, de Onderzoeksraad Integriteit Overheid als meldpunt met enige onderzoekscapaciteit en het Bureau Integriteit Openbare Sector (BIOS) voor informatieverzameling en advisering. Daarnaast zijn er voor strafrechtelijk onderzoek de Rijksrecherche, voor screenen het bureau Bibob, voor behoorlijkheidsonderzoek de Nationale Ombudsman, en verder nog de Algemene Rekenkamer en allerlei klachteninstanties, inspecties en opsporingsdiensten. En dan hebben we het alleen nog maar over de integriteit binnen de overheid, niet over die binnen het bedrijfsleven.

Daarbovenop komt, als het aan de indieners van het initiatiefwetsvoorstel ligt, ook nog een ‘Huis voor Klokkenluiders’. Dat rijke palet aan organisaties toont weliswaar hoe belangrijk het thema integriteit tegenwoordig wordt gevonden, maar tegelijkertijd is duidelijk dat de samenhang ver te zoeken is.

Door de bomen zien we het bos niet meer. Denk aan de vele adviezen, het doorverwijzen (bijvoorbeeld via vertrouwenspersonen), meldpunten, initiatieven om die melders weer te beschermen, onderzoeken naar meldingen (disciplinair en strafrechtelijk) en allerlei maatregelen om misstanden te voorkomen (van risico-analyes tot advisering en training.

Deze versnippering vraagt om een overkoepelende politieke visie op een werkbaar integriteitssysteem. Die visie ontbreekt in het wetsvoorstel. Eén van de ideeën is om de bestaande voorzieningen, zoals BIOS, Onderzoeksraad Integriteit Overheid en klokkenluiderspunten bij elkaar brengen, bijvoorbeeld in een nieuw landelijk Bureau Integriteit Openbaar Bestuur, met de nadruk op het openbaar bestuur, zowel landelijk, provinciaal als lokaal. Zo’n BIOB kan dienen als dé instantie voor integriteit van ons bestuur, met daarbinnen scherp te scheiden functies en taken. We hebben behoefte aan een centraal meldpunt, een voorziening om klokkenluiders hulp en bescherming te bieden, en een instantie voor onafhankelijk, niet-strafrechtelijk onderzoek naar meldingen, die ook preventieve taken heeft. Voor de marktsector die tot op heden zelf opmerkelijk weinig initiatief toont, zou eenzelfde Bureau ingesteld moeten worden.

Over zulke wezenlijke kwesties zou het debat moeten gaan. Alle lof voor de goede bedoelingen van de indieners van het wetsvoorstel, maar als over de fundering niet is nagedacht, moet je geen huis willen bouwen. Dat verzakt. Dat geldt ook voor een Huis voor de Klokkenluiders.

Leo Huberts is hoogleraar bestuurskunde aan de Vrije Universiteit, Gjalt de Graaf is universitair hoofddocent bestuurskunde aan de Vrije Universiteit en Peter Tak is emeritus hoogleraar rechten aan de Radboud Universiteit Nijmegen.