„Ik ga u het land uitzetten’’, zegt de Turkse agent

In Turkse overheidssystemen verschijnt een mysterieuze stip achter de naam van NRC-correspondent Bram Vermeulen. Hij is persona non grata geworden.

Illustratie Nanette Hoogslag

‘Ik ga u het land uitzetten”, zegt de agent aan de andere kant van het bureau. Ik kijk hem met ongeloof aan. Net nog liep ik dit kantoor binnen als een correspondent met een vraag, nu ben ik illegaal verklaard. Gaat er hier, op deze dinsdag in september, in dit bureau voor vreemdelingen in Kumkapi, Istanbul, een einde komen aan bijna 5 jaar correspondentschap in Turkije?

Je denkt rare dingen vlak voor zo’n moment. Even daarvoor had ik me vrolijk gemaakt over het feit dat deze agent zich precies zo kleedt als de types in Turkse politieseries: ongeschoren, geruite bloes, spijkerbroek en walkietalkie aan de broekrand. Zo staan er tegenwoordig tientallen rond het Taksimplein om betogers in de kraag te vatten. Agenten in burger. Waarom, vroeg ik me nét voor dit moment af, kleden „stille” agenten zich zo dat ze van afzienbare afstand te herkennen zijn als agent?

De agent kijkt bloedserieus. Heb ik hem goed begrepen?

„U gaat me vandaag deporteren? Maar ik heb een geldige verblijfsvergunning en een perskaart.”

„Die verblijfsvergunning stelt niks meer voor. Er staat hier dat voor uw categorie mensen een ander visum nodig is, dat alleen het ministerie van Binnenlandse Zaken kan verstrekken. Dat heeft u niet, dus ik ga u deporteren. Dat doen we hier wel vaker. Ik heb gisteren nog een buitenlander als u uitgezet.”

We kennen elkaar net een paar minuten. De agent heeft juist op mijn verzoek in zijn computer gekeken, in de hoop een probleem te kunnen oplossen dat me nu al een half jaar achtervolgt.

Het begon in maart, op Istanbul Atatürk Airport. De douanebeambte deed langer over het stempelen van mijn paspoort dan normaal. Plots voelde ik een hand op mijn schouder. „Komt u even mee.” Een agent wees een stoel aan in de hoek van het grenskantoor: ga daar zitten. Een ander verdween met mijn paspoort en verblijfsvergunning achter een deur. Hij bleef lang weg. Toen ik de collega’s vroeg wat er aan de hand was, gebaarden ze: „wachten”.

Twee uur verstreken, tot een agent met zijn handen vol kopieën en documenten plots meldde: „Turkije is voor u verboden.”

Ongewenst, maar toegelaten

Zo stond het volgens hem in de computer, waar hij een grote stip kon zien achter mijn naam. Maar omdat mijn paspoort, verblijfsvergunning en perskaart geldig waren tot het einde van het jaar kon hij niet anders dan me de grens laten passeren. Ik moest maar „in Ankara” gaan vragen wat er aan de hand was. Ongewenst, maar toch toegelaten. Een persona non grata, zonder dat de Turkse autoriteiten het zo willen noemen.

In de afgelopen maanden belde en schreven ik en de hoofdredacties van mijn werkgevers NRC Handelsblad en NOS alle instanties aan die mogelijk helderheid over de stip achter mijn naam in de grenscomputer konden verschaffen. Van het lokale politiebureau, tot de woordvoerder van president Abdullah Gül. Van de Turkse ambassade in Den Haag tot het ministerie van Binnenlandse Zaken in Ankara. We schreven aardige brieven en boze brieven. Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken bemoeide zich actief met de zaak.

Maar de stip achter mijn naam bleef. Elke keer als ik de Turkse grens passeerde, hetzelfde oponthoud en dezelfde mysterieuze opmerkingen. „U bent een verboden persoon”, zei een agent, terwijl hij me schouderophalend door liet lopen naar de bagageband. „Is hij het land al uitgezet”, sprak een secretaresse op het ministerie van Binnenlandse Zaken haar mond voorbij, toen een collega haar kantoor belde voor uitleg.

‘U werkt met de verkeerde mensen’

„U werkt met de verkeerde mensen”, kreeg mijn producer te horen toen hij een hoge ambtenaar in het zuidoosten van Turkije sprak. Dit was dezelfde producer die met ons meereisde langs de Iraakse grens, tijdens het maken van de VPRO-serie Langs de Grenzen van Turkije. Hij was eerder al gewaarschuwd door de vice-gouverneur van Diyarbakir, die kennelijk lucht had gekregen van onze plannen om vanuit Turkije naar Irak te reizen, waar de verboden Koerdische beweging PKK zijn kampen heeft. De gehele reis werden we gevolgd door agenten van de geheime dienst. Maar dat was in mei 2012, bijna een jaar voordat de problemen aan de grens begonnen. Waren het de interviews met PKK-strijders in een reportage voor het NOS-Journaal, vlak nadat drie PKK’ers in Parijs vermoord waren? Was het de reportage over de verboden linkse terreurbeweging DHKP-c die de Nederlandse soldaten in Adana bedreigde wegens hun „imperialistische bezetting van Turkije”? Taboes regeren Turkije, een journalist maakt al snel een verhaal dat iemand in dit land niet aanstaat. Maar nooit eerder hoorde ik over een buitenlandse correspondent die om die reden de toegang tot Turkije werd ontzegd. Tijdens de rellen in juni rond het omstreden Gezi-park beschuldigde de regering collega’s van de BBC en CNN openlijk van leugens, nadat de meeste Turkse tv-zenders de protesten gedwee negeerden. De burgemeester van Ankara begon zelfs een twittercampagne tegen de Turkse BBC-correspondent Selin Girit waarin hij haar beschuldigde van spionage voor de Britten. Maar het land uitgezet? Dat niet.

„Je komt het nooit te weten”, zei een advocaat die ik om hulp vroeg. „Geen enkele boze brief zal ze tot openheid bewegen. Opheldering werkt alleen in hun nadeel.” Die manier van handelen is niet uniek voor de Turkse staat. De geheime diensten in de Verenigde Staten en Europa vertellen terreurverdachten ook vaak de redenen niet waarom ze op hun watchlist staan. Dat is staatsgeheim.

De advocaat heeft eerder met een dergelijke zaak te maken gehad. Een Duitse Europarlementariër werd het land uitgewezen na contacten met de Koerdische partij BDP. Pas na tussenkomst van de rechter werd het toegangsverbod ongedaan gemaakt.

De stip achter mijn naam werd als een etterende wond, die op steeds meer plekken pijn begon te doen. Halverwege het jaar kregen alle buitenlandse correspondenten een nieuwe perskaart, met een nieuw ontwerp. Behalve ik. Talloze telefoontjes naar het verantwoordelijke kantoor leverden niets op. De hoogste baas die volgens zijn medewerkers de enige was die mij het probleem zou kunnen uitleggen, bleef onbereikbaar.

Mijn telefoon was ineens stuk

Ik werd meer dan gebruikelijk wantrouwig over andere onverklaarbare zaken. Plots deed de telefoonlijn in mijn appartement het niet meer. Het belcentrum van Türktelekom probeerde me gerust te stellen met de mededeling dat er werkzaamheden waren in mijn wijk. Glasvezelkabel in aantocht. Maar de telefoon bleef onbruikbaar, zelfs nadat de problemen bij de buren werden opgelost. Turkish Airlines accepteerde plots mijn credit card niet meer. Ook al was er volgens mijn creditcardmaatschappij niets loos met de kaart of het saldo op mijn rekening. Zag ik spoken?

Vier jaar lang was er niets aan de hand

Collega’s hoorden mijn verhalen met ongeloof aan. Dat was hen nog nooit overkomen. Mij ook niet, zei ik dan. Vier jaar lang kreeg ik probleemloos een perskaart en een verblijfvergunning. Ik onderhield goede contacten met de Turkse staat, interviewde premier en president. Ik probeerde altijd het evenwicht te vinden in de verslaggeving, ook al dachten sommige Turkse twitteraars daar anders over.

Af en toe schreef ik verhalen over de Kafkaëske toestanden in de Turkse rechtszaal. Generaals of Koerdische activisten werden in dit land tot levenslange gevangenisstraffen veroordeeld, aan de hand van zeer twijfelachtig bewijsmateriaal. Maar dat waren reportages over Turken, die aan de verkeerde kant van de barricaden terecht waren gekomen. Zij zijn spelers in de schaduwkant van Turkije. Buitenlandse correspondenten zien die duistere kant normaal alleen van veilige afstand. Nu leek het alsof me een koker was aangereikt, waarmee ik even mocht spieken aan die andere kant.

„Ik bel nu mijn advocaat en het consulaat”, zeg ik tegen de agent achter het bureau. Daar schrikt hij van. Terwijl ik mijn advocaat over de telefoon hoor zeggen dat hij op dit moment in de rechtszaal is en onmogelijk naar Kumkapi kan komen, staat de agent op van zijn bureau. „Wacht even”, gebaart hij. Hij verdwijnt in een ander kantoor. Terwijl ik koortsachtig zoek naar het nummer van het Nederlands consulaat kom hij terug en zegt: „Ik ga u nu niet deporteren. U moet maar in Ankara gaan vragen wat er aan de hand is.” Weer naar Ankara. Een nieuw kastje, een nieuwe muur.

Het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken voert de druk op. Turkse diplomaten worden op het matje geroepen in Den Haag en Ankara. Zij stellen voor dat ik terugkeer naar Nederland om bij het consulaat een nieuw visum aan te vragen. Na twee weken in ballingschap krijg ik een nieuw stickertje, maar geen uitleg. „Ieder land heeft het recht zijn soevereiniteit te beschermen”, zegt de Turkse vice-consul mysterieus. En dan: „Nederland weigert toch ook wel eens mensen toe te laten?” Kort daarna word ik aan de grens weer aangehouden, ondanks het nieuwe visum. De stip achter mijn naam is blijven staan. „Het spijt me”, zegt de agent, die me inmiddels kent. Kom ik er zo na 1 januari nog in? Hij schudt zijn hoofd. „Nee, dat denk ik niet.”