Anonieme meesters in het spoor van Rogier van der Weyden

Meester van het gezicht op St-Goedele, Portret jongeman Londen, National Gallery

De liefhebber van de vijftiende-eeuwse schilderkunst in de Nederlanden wordt dit jaar goed bediend. Tot afgelopen februari toonde Boijmans Van Beuningen werken van de kunstenaars die omstreeks 1400 de weg bereidden voor de geniale schilder Jan van Eyck (ca. 1390-1441). Diens iets jongere en even getalenteerde tijdgenoot Rogier van der Weyden (1399/1400-1464) vormt nu het uitgangspunt van een tentoonstelling in Brussel. Aan de hand van zo’n honderd schilderijen presenteert die juist een overzicht van de navolging van de schilder in de tweede helft van de vijftiende eeuw.

Was Van Eyck de toonaangevende schilder in Brugge in het hertogdom Bourgondië, Van der Weyden was van 1436 tot zijn dood bijna dertig jaar later de officiële stadsschilder van de Brabantse hoofdstad Brussel. Hij was internationaal befaamd en liet bij zijn dood een omvangrijk atelier achter. De expositie laat zien hoe Rogier, die met maar twee werken in de expositie zelf de grote afwezige is, een ijkpunt vormde voor leerlingen en navolgers, maar ook hoe zijn laat-middeleeuwse stijl omstreeks 1500 het veld moest ruimen voor op Italiaanse voorbeelden geïnspireerde werken van een renaissancemeester als Barend van Orley.

In De erfenis van Rogier van der Weyden; de schilderkunst in Brussel 1450-1520 voert religieuze schilderkunst de boventoon: altaarstukken, Madonna’s en scènes uit de Bijbel en heiligenlevens. Maar ook zijn er portretten en wereldlijke thema’s zoals een pronkschild waarop een ridder knielt voor een dame. Bijzondere bruiklenen zijn de panelen die als decoratie van een processiewagen zwaar hebben geleden, en een drieluik dat ondanks de kwetsbaarheid van de panelen helemaal uit Melbourne is overgevlogen.

Vrijwel alle schilderijen uit het Brussel van de tweede helft van de vijftiende eeuw zijn anoniem en ook overigens niet gedocumenteerd. Slechts uit aanwijzingen als het merkteken van Brusselse schrijnwerkers op de achterkant van beschilderde panelen en het feit dat sommige Brusselse gebouwen heel gedetailleerd zijn weergegeven, kan worden opgemaakt dat de werken daar tot stand zijn gekomen.

Sinds het pionierswerk dat in de jaren 1920 is gedaan door kunsthistoricus Max J. Friedländer hebben vele specialisten zich gebogen over de toeschrijvingen aan bepaalde kunstenaars die dan alleen bekendstaan onder noodnamen. Die verwijzen doorgaans naar sleutelstukken waaromheen op stilistische gronden oeuvres zijn gereconstrueerd, bijvoorbeeld ‘Meester van de Catharinalegende’, ‘Meester van de Prado-Verlossing’ en, de mooiste van allemaal, ‘Meester van het geborduurde loof’. Die laatste naam komt van de stoffen met bladmotieven die nogal eens voorkomen in werken van deze kunstenaar. Overigens wordt tegenwoordig aangenomen dat zijn werken door meerdere handen zijn vervaardigd; in de nieuwe benaming is ‘meester’ dan ook veranderd in ‘groep’.

De stilistische scherpslijperij speelt zich vooral af in de catalogus. In de expositie komt het aan op goed kijken en vergelijken. Pas dan wordt duidelijk hoe Rogier van der Weyden de toon zette voor de schilderkunstige productie in het vijftiende-eeuwse Brussel. En ook hoe zijn navolgers, soms houterig en zielloos, maar vaker eigenzinnig en met verve, omsprongen met die erfenis.

    • Bram de Klerck