Wie houdt er nog van economen?

Wie houdt er nog van economen? Niet meteen roepen: nou, ik zeker niet! Wacht nog heel even. Misschien zou u eerst willen lezen waarom ik eigenlijk wel van ze hou. En ja, ik beken meteen, ik ben er zelf ook één.

Vooraf: ik begrijp volkomen waarom economen weerzin oproepen. We zijn altijd heel stellig, en toch kan iedereen met recht zeggen dat economen nogal veel onzin hebben uitgekraamd voor de crisis. Daarbij is het debat tussen sommige economen zo venijnig geworden dat ik me kan voorstellen dat weerzin omslaat in afschuw. Er zijn economen die elk plusje of minnetje in de economie aangrijpen om hun gelijk aan te tonen over de al dan niet desastreuze effecten van overheidsbeleid zoals bezuinigen. Terwijl dat echt niet kan. Zo eenduidig is het beleid van overheden niet, zo snel kan je de effecten ervan niet destilleren.

Maar de negatieve sfeer rond economen doet geen recht aan de fantastische variatie aan ideeën, observaties, theorieën, analyses en onderzoeken die de economische wetenschap ook biedt. Neem twee van de drie winnaars van de Nobelprijs voor economie deze week; Robert Shiller en Eugene Fama. Fama is zo’n econoom waar nu om gelachen wordt. Hij ontkende dat op de financiële markten zeepbellen kunnen ontstaan, want markten zijn rationeel en efficiënt. Oké, een dommie dus. Maar dankzij Fama’s bijdrage verloor het idee zijn glans dat er briljante beleggers zijn aan wie u uw geld moet geven. Hij liet zien dat koersen op korte termijn nauwelijks voorspelbaar zijn. Daaruit volgde dat beleggen in een mandje aandelen beter is dan de praatjesmaker geloven met de dikke sigaar. Die bijdrage is niet de volledige waarheid gebleken, maar ook niet waardeloos.

Robert Shiller is zijn tegenpool, een man die zijn carrière wijdde aan het aantonen dat financiële markten irrationeel zijn en inefficiënt. De man die al ver voor 2008 onvermoeibaar riep dat er een zeepbel was ontstaan op de Amerikaanse huizenmarkt. We moeten nu de neiging onderdrukken om van hem een held te maken, dikke kans dat ook zijn analyse van markten niet de volledige waarheid zal blijken.

Precies hierom hou ik van de economische wetenschap. Al die economen proberen te begrijpen hoe de wereld in elkaar zit, en dat geeft fascinerend leesvoer. Economen houden van basale vragen. Niet: hoe kunnen we de publieke omroep beter maken? Maar: waarom gaat die 800 miljoen euro eigenlijk überhaupt naar de publieke omroep? Waarom niet ook naar andere media? Hoe zijn we tot dat beleid gekomen en is dat nog steeds logisch? Daarop zullen economen verschillende antwoorden geven. Politici en burgers moeten vervolgens kiezen welk antwoord zij acceptabel vinden.

De geschiedenis van de economische wetenschap is er één van radicaal bijgestelde inzichten. En ook deze crisis gaat zorgen voor zo’n bijstelling. Economen zijn bezig met grondig zelfonderzoek. Zie bijvoorbeeld het boek What’s the use of economics? Er staan economen in die vinden: weggooien die macro-economische theorieën en opnieuw beginnen.

Tja, wat kan u dat schelen? Nou, de uitkomst is belangrijk bij een volgende crisis.

De reactie van overheden en centrale banken op de financiële crisis van 1929 leidde tot de Grote Depressie. Economen zijn daarna decennia bezig geweest te bedenken wat er mis was gegaan en hoe het beter kon. Dat recept voeren centrale banken nu uit. Dat blijkt een verbetering, maar bepaald niet het ei van Columbus. Wat doen we verkeerd? Klopt de analyse van de Grote Depressie niet? Een heldere beschrijving van deze worsteling publiceerde de Amerikaanse hoogleraar J. Bradford DeLong onlangs op internet: The Great Depression of the 1930s from the perspective of today. Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik denk dat de economische wetenschap met een intelligent, onderbouwd en goed bediscussieerd antwoord zal komen dat ons allemaal van nut zal zijn.

Marike Stellinga schrijft op deze plek elke zaterdag over politiek en economie.

    • Marike Stellinga