Vrijgelaten

1726

Een van de blijvende raadsels waarmee de nieuwe patiënt in het ziekenhuis kennis maakt is het bed. Een stalen constructie die er op het eerste gezicht uitziet als een betrekkelijk gewoon bed, maar bij nadere kennismaking allerlei vernuftigheden verbergt. Al vlug ontdek je een plastic doosje met acht knoppen. Druk je op die linksboven, dan gaat het gedeelte waar je rug op rust omhoog; rechts naar beneden. Maar het past niet; het is nooit een hoek die de Schepper in je ruggewervels heeft gebouwd.

Je hebt ook een hoofdkussen. Mijn eerste exemplaar was te bol en te hard. Als ik voorover leunde, zakte het bliksemsnel tussen mijn rug en het matras. Ik kreeg een ander exemplaar, zo slap dat het aan weerszijden langs mijn oren stak. Niets hielp tegen die kussens. Ik heb er vijf weken mee leren leven.

Als patiënt krijg je veel bezoek. Om te beginnen van de doktoren en het personeel van de verpleging. Na grondig onderzoek verbonden ze me via acht draadjes en plakkertjes met een doosje voor de hartbewaking. Via een paar slangetjes in mijn aderen werd de kwaliteit van mijn bloed verbeterd. Al die verbindingen waren permanent. De slangetjes waren weer verbonden aan apparatuur in een hoge ijzeren staak op wieltjes. Op mijn kleine wandelingetjes in de kamer of op de gang moest ik dit geheel met me meetrekken, na de snoeren uit het stopcontact te hebben gehaald.

Een bewerkelijk leven zult u zeggen. Dat viel mee. Verder gebeurde er niet veel. Regelmatig werd me door allervriendelijkste dames of heren niet onsmakelijk voedzaam eten en drinken gebracht. Vooral de extra voedzame chocomel was lekker. En ’s ochtends luisterde ik half liggend via een koptelefoontje van een televisie naar De Klassieken met Clairy Polak, die de muziek op een voorbeeldige zakelijke toon aankondigt. Daarna volgen twee praatjesmakers die het niet kunnen laten leuk uit de hoek te komen. Om een uur of drie kwam mijn lieve vrouw Elly, met de post, de mailtjes en iets lekkers uit de banketbakkerswinkel. Weer contact met de buitenwereld. We maakten een gezond wandelingetje over de gang, ik met mijn rijdende bloedmachine. Soms kreeg ik bezoek van een van mijn twee zoons. Om zeven uur waren ze allemaal vertrokken. Het ziekenhuis had zich weer in al zijn macht om me heen gesloten.

Het ziekenhuis is het vakkundigste en veelzijdigste oord van barmhartigheid. En het is ook met al zijn toewijding en medische kennis voor zijn patiënten genadelozer dan een kazerne. Ik heb ervaring. In mijn tijd, 1948, mocht je als rekruut in de zes weken ‘eerste oefening’ niet met verlof naar huis. Je had niets te vertellen, alleen te gehoorzamen, maar werkeloos was het in ieder geval niet. En je had ruimschoots aanspraak aan je mederekruten met wie ik ’s avonds op kroegbezoek ging. Café De Grote Slok in Amersfoort.

Patiënten gaan niet op kroegbezoek. Hun leven staat onder streng, deskundig toezicht bij het herstel van hun gezondheid. En neemt u van van mij aan, dat is ingrijpend. Terwijl de zieke zijn gezondheid herwint, vervreemdt hij langzaam van zijn normale leven. Na een week of drie merkte ik dat voor het eerst. Ik stond midden op de dag in mijn pyjama voor het raam in de ziekenkamer met het uitzicht op een rij lege ramen. Ik dacht aan Gregor Samsa, de held uit het verhaal van Franz Kafka, Die Verwandlung. Opeens merkt Samsa dat hij in een grote kever is veranderd. Hij is verplicht zich het keverleven eigen te maken. Daar zat Kever Montag op de rand van zijn bed, met niets anders dan het uitzicht op een bestaan dat hij niet wilde.

Na vijf weken werd hij vrijgelaten, genezen verklaard. Wat is dat: genezen? Het betekent dat je weer wordt losgelaten in de vrije wereld. Ja, je weet wat daar allemaal gebeurt, denk je, maar dat blijkt een vergissing te zijn. Het verschil is dat je alles ontwend bent. Nergens staat je meer de routine ten dienste, overal wacht je de verrassing. Van de plaats van de letters op het toetsenbord tot de hoogte van de stoepjes.