Telefoon bij de VVD: de recherche

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen?

Deze week: Benk Korthals, VVD-voorzitter.

Ofwel: politiek succes dat de recherche doorkruist. Tekst:Tom-Jan Meeus, Illustratie: Ruben L. Oppenheimer

Het was een voortreffelijke week om de waarde van the vision thing even te testen. Aan het slot van veertien dagen chaotisch onderhandelen kwamen we uit op een samenwerking die SGP en VVD verbindt met PvdA en FNV, waarin tegenwoordig ook de SP-stem doorklinkt. Coalitie van bijna iedereen.

Dus stel je voor dat Mark Rutte zich in die recente lezingen wél had laten verleiden tot een grootse visie. Een grand design ver voorbij Drees en de participatiesamenleving. Dan had die visie gegarandeerd in de weg gestaan van het vijfpartijenpact van vorige week vrijdag – schitterende vergezichten, helaas geen regering meer.

Rutte was deze week drie jaar premier. Je kunt schamperen over het gemak waarmee hij in die periode met vrijwel elke partij zaken deed. Maar feit is dat het huidige partijenlandschap, en de huidige Eerste Kamer, vraagt om het soort optimistische vingervlugheid waarover hij als politieke makelaar beschikt.

Dus de week eindigde goed voor de premier en zijn partij, de VVD. Coalitie tot in het nieuwe jaar gered, Pechtold geapaiseerd, polder behouden, oppositie grotendeels tandeloos gemaakt.

Of dit betekent dat het in de VVD nu ook weer beter gaat? Je weet het niet. Bij de opstand over de inkomensafhankelijke zorgpremie, eind vorig jaar, keerde een venijn terug dat sommigen in Den Haag deed denken aan de strijd tussen Rutte en Verdonk in 2006. Zij zagen de terugkeer van oude opponenten die in Rutte destijds al een halve D66’er vreesden te zien.

De VVD heeft altijd twee zielen in één borst gehad – een conservatieve en liberale vleugel. De huidige partijvoorzitter, Benk Korthals (69), met wie ik donderdag koffie dronk, noemt zich nog altijd „links-liberaal”, merkte ik. Hij paste voortreffelijk in de VVD van Rutte. Hij was altijd gematigd geweest, zei hij. Mild.

Het partijvoorzitterschap kwam hem aanwaaien. Drie dagen per week, liefdewerk oud papier, ook „uit respect” voor zijn vader, Henk, vicepremier in het kabinet-De Quay (1959-1963), en destijds voorman van de liberale partijvleugel.

Zelf zou hij nooit naar het voorzitterschap gehengeld hebben. Welnee zeg. In 2011 - hij was al met pensioen - vroegen ze hem. „Zoek een vrouw”, zei hij. „Of een jonger iemand.”

Maar hij was hun keuze – hij zou de beroepspolitici niet voor de voeten lopen, hij had de ervaring. Zestien jaar Kamerlid, oud-secondant van Bolkestein, tweemaal minister, oud-advocaat, oud-praeses van Minerva, ontelbare functies in en buiten de partij. Geknipt.

De partij was voor het eerst de grootste. „Het leek me ook leuk. Boeiend.” Hij oefent zijn invloed informeel uit, zei hij, in contact met de politieke leiding, of tijdens het VVD-bewindspersonenoverleg op donderdagen voor de ministerraad. Hij kende het spel. Dan hoorde hij hoe ministers elkaar voorbereidden. „Let op dit punt, verslaggevers gaan ernaar vragen.”

Als beroepspoliticus gaf hij blijk van een zeldzame eigenschap in Den Haag. Hij liet zich liever niet gelden in de media. Uit eigen waarneming wist ik dat mensen die met hem werkten als minister van Justitie (1998-2002), erg op hem gesteld waren. Achter zijn argeloze voorkomen ging een figuur met politiek vernuft schuil: iemand die het zo plooit dat anderen hem het succes gunnen. „Ik poseer graag verstrooidheid”, zei hij. Daar zat „een zekere berekening” in.

Maar de buitenwereld zag dit zelden, die stelde vast dat hij op televisie „iets aarzelends” had. En televisie accentueerde zijn onhandigheid: zijn das zit nu eenmaal vaak scheef, zijn kapsel oogt doorgaans ongekamd.

Hij wist dat mensen hem soms excentriek vinden. Niet zo gek. Wie anders hemelde tijdens een ministerschap de luiheid van Oblomov op? Nog steeds was hij graag op zichzelf – het dromen over een leven als schaapherder is nooit overgegaan. Rust. Leegte. Wat nadenken. „Lullen tegen schapen die toch niets terugzeggen.”

Maar de Randstad trok hem evengoed – zeker de politiek. De sfeer in de VVD was nu „uitstekend”, zei hij, het gedoe rond de zorgpremie verleden tijd. Alle vertrouwen in Mark en Halbe. „Prima gewoon.” Al had je altijd gedoetjes: toen ik hem trof had Toine Manders, VVD-europarlementariër, net bekendgemaakt dat hij lijsttrekker voor 50Plus wordt bij de Europese verkiezingen. „Ik wens hem veel succes”, zei hij toonloos. „Nou, niet te veel succes.”

Intussen kreeg hij te maken met wat ‘integriteitskwesties’ zijn gaan heten. VVD-politici uit de regio – Ziengs uit Drenthe, Hooijmaijers uit Noord-Holland, Van Rey uit Roermond – die in aanraking kwamen met justitie. Een verklaring had hij er niet voor. Het kon ook toeval zijn. Of pech.

Zelf kon hij zich niets voorstellen bij zelfverrijking via de politiek. Net als Rutte had hij „nul belangstelling” voor materiële zaken. Hij woonde jarenlang in een driekamerappartementje en leende auto’s van bekenden omdat hij er niet aan toekwam zelf zo’n ding te kopen.

Dat die ‘integriteitskwesties’ te maken hadden met de actieve wijze van fondsenwerven door VVD-afdelingen en -Kamercentrales, sprak hij tegen. „De overheid betaalt te weinig, elke partij werft geld.” En dat de VVD donoren in staat stelt anoniem soms tienduizenden euro’s in ondoorzichtige stichtingen te storten, leek hem het probleem ook niet. „Die donoren willen niet bekend worden”, legde hij uit. „Dus ik ken ze ook niet. Het mooie is: dan heb je dus nooit belangenverstrengeling.”

Eén zaak, die van Jos van Rey, nam een bijzondere wending. Ook voor Korthals zelf. Verdenkingen dat Van Rey wederrechtelijk VVD-campagnes heeft gefinancierd, leidden ertoe dat de voorzitter een paar maanden terug werd gebeld. De recherche aan de lijn. Of ze hem konden horen – als getuige. Het ging om twee zaken: Van Rey, en een apart onderzoek naar lekken in de zaak-Van Rey.

Korthals reageerde intuïtief: hij wenste hier niet aan mee te doen. Om er vijf dagen later, met onbehaaglijk gemoed, op terug te komen. „Ik kon als VVD-voorzitter eigenlijk geen nee zeggen.”

En zo gebeurde het dat Benk Korthals, oud-minister van Justitie, tweemaal werd gehoord. Een keer op het partijbureau, een keer op het politiebureau. Een keer twee uur, een keer vijf uur. Het ging over de VVD-regels inzake partijfinanciering; over „een bepaalde rekening” waarover ze zijn oordeel wilden; over een politiek overleg inzake Van Rey, dat hij eind vorig jaar bijwoonde.

„Ik kon bijdragen aan ‘de waarheidsvinding’, zeiden ze.” Hij betwijfelde het destijds, en nu nog. Hij had gehoopt, zei hij, dat hij tenminste door een officier van justitie was gebeld met een toelichting. Gebeurde niet. Ivo Opstelten, minister van Justitie, zijn voorganger als partijvoorzitter, kon hij er niet op aanspreken. „Al kan het zijn dat ik een keertje in het bewindspersonenoverleg heb gemeld dat ik was gehoord.”

Intussen leerde hij dat ook de penningmeester van de partij, Ger Jaarsma, als getuige werd opgeroepen. Net als zeker vier VVD-bestuurders in Limburg. De vraag die hij heeft: kun je dit partijbestuurders zonder opgaaf van redenen aandoen, mensen die zich om niet inzetten voor partij en gemeenschap?

„Het OM moet natuurlijk enige voorzichtigheid aan de dag leggen tegenover politieke partijen”, zei hij. „Misschien hebben ze die betracht”. Eerder klaagde hij dat de VVD schade heeft door de duur van het onderzoek naar Van Rey.

Nu bestond de kans dat hij „als voorzitter minder goed kan functioneren tegenover leden en afdelingen”. Justitie dat met een te doortastend optreden het politieke proces schaadt – was dat zijn punt? „Ze zullen zich dit gevaar gerealiseerd hebben”, zei hij, ogenschijnlijk verstrooid.

Daar zat hij dan: Benk Korthals, voorzitter van de grootste partij van Nederland, partijvrijwilliger voorbij de pensioengerechtigde leeftijd, man die met Els Borst de euthanasiewet door de Kamer kreeg, die aan de zijde van Frits Bolkestein menige storm doorstond, die zijn excentriciteit altijd combineerde met de rol van trouwe partijsoldaat.

Hij wilde niet mieren. Het zou vast goed komen. Hij was altijd een politicus geweest, vertelde hij, die „niet alles hoefde te weten”. Dat bezetene van een Jan Pronk had hij nooit begrepen. Zo leidde hij de VVD. „Ik heb altijd genoeg aan de hoofdlijnen gehad”, zei hij.

    • Tom-Jan Meeus
    • Ruben L. Oppenheimer