Sociale media, maar niet te sociaal

Psychologie

Ellen de Bruin Self-monitoring wordt steeds belangrijker: controle houden over de indruk die je maakt. Hoe ver kun je daarin gaan?

Mensen die zeggen dat ze niet van Twitter houden beginnen meestal over oppervlakkigheid. „Ik hoef niet te weten wat andere mensen als ontbijt eten” – dat soort argumenten. Maar laatst hoorde ik iemand vertellen dat ze Twitter juist te complex vond. Al die mensen, uit al die verschillende regionen van haar leven. Hoe moest ze praten, en tegen wie sprak ze dan? Moest ze twitteren als jonge moeder? Als vriendin? Als architect? Als forens? Het hele idee van twitteren gaf haar het gevoel dat ze een feestje moest geven waar iedereen die ze kende aanwezig was, uit verschillende groepen familie, vrienden en kennissen die elkaar nog nooit ontmoet hadden, met wie ze allemaal op een andere manier omging en die ze nu allemaal tevreden moest houden. Doodvermoeiend – ze begon er niet aan.

Deze vrouw scoort vast hoog op self-monitoring, een onvertaalbaar lelijk woord. Het is een eigenschap die vanaf de jaren zeventig door psychologen is onderzocht. Self-monitoring is niet louter jezelf goed in de gaten houden, maar vooral ook: je gedrag aanpassen aan de mensen met wie je bent. Er zijn mensen die dat niet zo erg doen, die hun eigen gang gaan en zich niet zoveel aantrekken van wat anderen misschien denken. Anderen hebben graag controle over de indruk die ze maken. Die letten altijd goed op wat ze van zichzelf laten zien, inclusief wat er eventueel over hun gemoedstoestand weglekt via hun lichaamstaal. Die mensen hebben het druk gekregen, de laatste jaren, voorzover ze wél op sociale media zitten. Want via sociale media kan er van alles over je weglekken naar de wereld. Uitspraken. Foto’s. Voorkeuren, ontbijt- of anderszins. Mensen die laag scoren op self-monitoring zullen zeggen: nou en? Wat maakt het uit, zolang mensen geen naaktfoto’s van je posten, of dronken-feestjes-foto’s? Maar de hoge self-monitorer kreunt al bij het idee dat zijn baas weet dat zijn zus een handwerkbeurs organiseert. Het is een betekenis van privacy waar je niet zoveel over hoort: het gaat niet om wát je aan de wereld wilt laten zien, maar aan wie je wat precies wilt laten zien.

Soms dwingt hun werk mensen tot self-monitoring. Mensen in publieke functies en beroemdheden zullen proberen te reguleren wat er over hen bekend wordt. En psychotherapeuten, want hun cliënten moeten zich met zichzelf bezighouden, niet met de therapeut. Sociale media, prima, maar niet te sociaal met cliënten, lijkt de voorlopige uitkomst van de discussie die therapeuten daarover een paar jaar geleden begonnen. En mogen therapeuten hun cliënten googelen? Ze blijken het regelmatig te doen. Voyeurisme, vinden sommigen daarvan, behalve in noodgevallen – als je geen contact kunt krijgen met iemand die suïcidaal is en wegblijft, bijvoorbeeld. Je breekt het vertrouwen als de cliënt niet wéét dat je hem googelt. Maar vermoedt die cliënt dat dan niet? Bovendien: je therapeut weet vast al zoveel intieme details over je, wat maakt het dan nog uit als ze ook wat publieke informatie bij elkaar googelt? Voor de hoge self-monitorer maakt dat dus uit. Die wil zelf kiezen wat hij aan zijn therapeut laat zien. Hij zit daar niet als fokker van Cavalier King Charles-spaniëls, PvdA-vrijwilliger of eigenaar van een grachtenpand op Funda. Hij zit daar als cliënt.

Soms lijkt het weleens alsof we onderweg zijn naar een wereld zonder privacy, waarin iederéén (dus niet alleen de NSA) alles van iedereen weet. Maar ik ben er nog niet zeker van dat dat echt gaat gebeuren – en als het niet gebeurt, hebben we dat aan de hoge self-monitorers te danken.