Ramptoerist

Waarom is het juist dat witte paard, een albino, die de goedheiligman tijdens de intocht mag vervoeren? Omdat hij blank is? Terwijl iedereen weet dat donkere paarden veel krachtiger en sportiever zijn”, fulmineert mijn Belgische vriend Walter Waterdrager tegen mij in de bar van het Gentse hotel waar ik nog steeds zit ondergedoken.

„Pure discriminatie en een onderschatting van donkere raspaarden”, gaat hij verder.

„Wat te denken van Bonfire en Salinero? Die waren toch jullie nationale trots? Waarom hebben die de Sint nooit mogen torsen?”

Ik opper dat deze edele dieren met hun rare dansjes en aanstellerige pasjes binnen de manege toch echt worden gezien als Brabantse homo’s en ik weet niet of het handig is om een Roomse bisschop op een kinderfeestje rond te laten rijden op een nichterig paard? Dat hoef ik een Belg toch niet uit te leggen?

Waterdrager vraagt of ik doel op de Brugse bisschop Roger Vangheluwe, de viespeuk die jaren ongestoord aan zijn neefjes wriemelde. In dat licht heeft Walter sowieso altijd raar tegen ons sinterklaasfeest aangekeken. Naast ons zitten een paar benevelde Russen. Ze vragen of wij Nederlandse homo’s zijn.

„Nee, wij zijn heteroseksuele Belgen”, lieg ik uit voorzorg.

„Wij zijn elektriciens”, lacht de Rus en legt uit dat als we Hollanders waren hij even was meegelopen naar onze hotelkamer om iets op de spiegel te schrijven.

„Nederlanders zijn mietjes”, bast hij ons bijna van onze kruk en hij begint over de diplomaat die gearresteerd werd omdat hij zijn kinderen op Russische wijze de les las.

„Haren trekken is normaal opvoeden. Nederlanders praten met kinderen! Praten! Praten!”, proest hij door de bar.

Ik begin voorzichtig over de echtgenote van de diplomaat die een stuk of wat geparkeerde auto’s aan de hare reeg.

„Vrouwen kunnen gewoon niet rijden en daar moet de politie zich niet mee bemoeien. Dat had haar man zelf wel opgelost. Hij beukt echt niet alleen zijn kinderen.”

De man kijkt me zo boos aan dat ik laf terugknik dat hij gelijk heeft.

„En die Nederlandse minister Timmermans is ook een nicht”, schreeuwt de Rus, „die moet een voorbeeld nemen aan de Londense burgemeester Johnson. Die geeft Poetin gewoon een grote bek terug en zegt glashard dat hij geen polonium in zijn sushi wil riskeren. Daarmee beticht hij onze president openlijk van moord. Dat is klare taal!”

Zijn vrienden steken hun duim op en lachen allervriendelijkst.

Dan gaat de Rus staan en schreeuwt: „Humor. Dat kunnen de Hollanders van de Britten leren. Dat is een diplomatiek wapen. Er moet meer gelachen worden. Dus als die Nederlandse koning binnenkort aan onze president dat beleefdheidsbezoekje af gaat leggen dan moet hij dat lekkere Argentijnse ding van hem thuislaten. Hij moet gewoon als homo komen. Gehuld in een ultrakort broekje dat hij geknipt heeft uit die tweedehands koningsmantel van hem. Die is toch gemaakt van oude Zwitserse gordijnen? En boven dat broekje moet hij een nat, gescheurd T-shirt van Greenpeace dragen. Daarna legt hij aan de Russische pers uit dat hij net uit de kast is gekomen en dat dat in zijn land heel gewoon is. Poetin reageert ongetwijfeld alert. Die gaat naar de wc en komt terug met ontbloot bovenlijf. Zo toont hij zich wel vaker aan het Russische volk. Daar kijkt bij ons niemand raar van op. Dan drinken ze wodka en sturen de pers weg. Het volk mag dan verder gissen hoe het verder gegaan is die avond. Met zo’n daad gaat die koning de geschiedenis in als Willem-Alexander de Grote!” De Russische vrienden applaudisseren en heffen het glas op Rusland. Dan verdwijnen ze met veel lawaai en een roedel tochtige hoeren naar hun kamers.

Walter oppert dat het helemaal niet zo’n slecht idee is. Volgens hem hebben wij als gewoon klootjesvolk dan ook weer wat te lachen. Het is leuker dan al die gezapige staatsbezoekjes.

„Maar wie moet jullie koning meenemen?”, lacht hij.

„Petertje Rehwinkel”, fluister ik, „die is al jaren koningshuisdeskundige en droomt ongetwijfeld van zo’n schnabbel!”

„Rehwinkel? Rehwinkel?”, lacht Walter, „dat is toch die bedelende ramptoerist uit Groningen met die fantoombaan in Barcelona? Is dat niet een volle neef van Diederik Stapel?”