Internet bedreigd

Websites en computers worden via internet op grote schaal belaagd door virussen, hackers en cybercriminelen. Bedrijven maken persoonlijke gegevens van webgebruikers massaal tot handelswaar. Spionage is via internet op voorheen ongekende schaal mogelijk. Terroristische activiteiten worden er voorbereid. En oorlogen zullen zich in de toekomst deels in cyberspace afspelen.

Tegen die achtergrond is het begrijpelijk dat landen maatregelen nemen om zich te beveiligen. Ze willen hun nationale soevereiniteit ook op het wereldwijde netwerk uitoefenen.

Maar aan die groeiende rol van overheden op internet kleven wezenlijke bezwaren. Juist de decentrale structuur van het internet heeft zijn groei mogelijk gemaakt: niemand was de baas. Nu regeringen hun gezag op internet meer laten gelden doorkruisen ze die oorspronkelijke opzet.

De VS hebben zich altijd opgeworpen als pleitbezorger van een vrij en open internet, met een bescheiden rol voor overheden. Maar uitgerekend Amerika heeft de tegenstanders van dit model in de kaart gespeeld. De onthullingen van klokkenluider Edward Snowden hebben laten zien hoe de Amerikaanse overheid, onder het mom van terreurbestrijding, onvoorstelbaar grote hoeveelheden internetgegevens van Amerikanen en buitenlanders verzamelt en opslaat. Bovendien blijken Amerikaanse IT-bedrijven, al dan niet gedwongen, met de inlichtingendienst NSA samen te werken.

Daarmee heeft Washington niet alleen landen als China bevestigd in hun geloof dat ze zich beter een eigen, afgeschermd internet kunnen aanmeten. Ook bondgenoten, van Brazilië tot Duitsland, bezinnen zich nu op maatregelen, omdat de manier waarop Amerika zijn sterke positie op het net uitbuit hen tegen de borst stuit. Naast het afkalvende vertrouwen in het internet, is er nu dus ook een ernstige vertrouwensbreuk tussen de VS en bevriende landen over de vraag wat acceptabel gedrag is op het net.

Die dubbele vertrouwenscrisis moet dringend opgelost worden. Dat kan beginnen met een internationale gedragscode, waarin de privacy van individuele gebruikers en een terughoudende rol van de overheid gegarandeerd worden. Eerst zou de Europese Unie het daarover eens moeten worden, om vervolgens de VS, China en andere landen en belanghebbenden erbij te betrekken. Zij allen hebben belang bij een betrouwbaar internet, al was het maar uit economische overwegingen. Worden de zaken op hun beloop gelaten, dan dreigt van het open en wereldwijde karakter van het internet weinig over te blijven.