‘Ik wil niet de Groenink van mijn vak worden’

In De Prooi speelt acteur Pierre Bokma oud-topman Rijkman Groenink van ABN. Zaterdag is de eerste aflevering op tv. De tweevoudig Louis d’Or-winnaar wil er bij een rol nooit helemaal uitkomen. „Dat is elke avond je enige drijfveer.”

Pierre Bokma: „Ik heb in stukken gespeeld die ik werkelijk absolute kul vond.” Foto Merlijn Doomernik

De Prooi heeft hij niet gelezen. Bewust niet. Hij wilde zijn eigen Rijkman Groenink maken. Een ontmoeting met de echte Rijkman Groenink sloeg Pierre Bokma (57) al evenzeer resoluut af. Het zou hem maar in de weg gezeten hebben. „Dan raak je in contact met hem en wordt het een levend wezen. Dan ontstaat er empathie. Dat moet niet. Ik wil hem in mijn hoofd zo onafhankelijk en neutraal mogelijk kunnen neerzetten.”

Het eindresultaat mag er zijn: Bokma zet in De Prooi een formidabele Groenink neer die sprekend lijkt op de voormalige topman van ABN Amro. Zelfs Groeninks ietwat houterige motoriek is raak getroffen, met opgetrokken schouders die bijna suggereren dat de kleerhanger nog in het krijtstreeppak zit. Zoiets gaat vanzelf, zegt Bokma. „Ik stel me voor hoe het moet zijn als je zo’n handicap aan je arm hebt (Groenink raakte ooit gewond bij een jachtongeluk). Hoe het is om constant pijn te hebben. Daar komt vanzelf die motoriek uit voort. Wat ik interessant aan Groenink vind, is dat iedereen een mening over hem heeft. Iedereen spuugt enthousiast in het Zwembad Haat, schiet met graagte op hem, met hetzelfde pistool dat nog warm is van de vorige schutter. Ik wil laten zien dat dat een andere kant heeft. It could have been your neighbour. Al heeft Groenink grote fouten gemaakt. En dat hij dat niet toegeeft maakt hem voor mij een onvolwassen figuur. Een boos kind dat tegelijk zo briljant is dat hij anderen op heel veel punten de baas is. Waardoor hij abusievelijk voor zichzelf het idee heeft ontwikkeld dat hij gelovige en god in één is.”

Ontwikkelt u zo’n rol vanuit uw hoofd of vanuit uw hart?

„Bij het spelen leg je een snelweg aan tussen hoofd en hart. Het heeft alles met voorstellingsvermogen te maken. Vóór het spelen denk je na over de vormen die je gaat gebruiken. Maar dat is nooit dwingend. Ik laat veel aan het toeval over. Neem het moment dat Groenink voor het eerst bij Nout Wellink komt. Dan liegt Wellink dat hij van Jan Kalff (Groeninks voorganger bij ABN Amro) niets dan goeds over Groenink gehoord heeft. Groenink weet dat het tegendeel wáár is. Laat je dan iets van boosheid zien? Of kies je voor een superieure reactie? Groenink blijft ijzig kalm, zegt: ‘Zullen we eerlijk zijn tegen elkaar?’ ‘Uiteraard’, reageert Wellink. ‘Sterker nog Rijkman, ik ben dat uit hoofde van mijn beroep zelfs verplicht.’ Waarop Groenink alleen maar zegt: ‘Interessant...’”

Bokma baseerde zijn rol voor een belangrijk deel op een vriend van hem. Want leer hém die wereld kennen. „Al die mannetjes, al die CEO’tjes, zijn allemaal in het corpswezen blijven hangen. Spelen nog altijd dezelfde spelletjes die ooit bedoeld waren als oefening voor later. Ze zijn er nooit uit losgekomen. Ik ken veel van die jongens. Ze zitten op hele hoge posten, maar er is er niet één bij die niet lacht om ‘poep’ en ‘neuken’. Die vriend van mij is net zo. Inmiddels heeft hij De Prooi ook gezien. Zijn vrouw zei alleen maar: ‘Ongelofelijk, echt ongelofelijk.’”

Kiest u altijd zo’n ijkpersoon?

„Nee, maar nu wel. Omdat Rijkman voor mij zulke ijle contouren had. Alsof je in het donker over een weg fietst waar iemand een nylon draad overheen heeft gespannen. Voor mij is Groenink zo’n draad. Je rijdt onverhoeds door hem heen en – pats – je bent onthoofd.”

Moet u eigenlijk geregisseerd worden? Of kunt u het op eigen houtje?

„Ik had bij De Prooi veel aan regisseur Theu Boermans. Hij is iemand die tot het einde toe blijft slijpen aan een zin. Soms gaat dat te ver. Bij De Uitverkorenen heb ik het meteen afgekapt. Ik viel op het laatste moment in voor iemand anders, drie dagen voor de opnames. Begon Theu bij elke zin: ‘Nee Pierre, hier ga je naar boven en daar naar beneden.’ Ik zei: ‘Theu, ik beheers het Nederlands prima en ben van een gemiddelde intelligentie. Een figuur heeft een aantal mogelijkheden en daarover zijn we het dan wel binnen vijf minuten eens.’”

En zo niet?

„Dan heeft het weinig zin, ik kan zoveel kleine aanwijzingen niet onthouden. Ik heb het nu over een manier van regisseren, niet over de keuze die de regisseur maakt. Over die keuze kan ik denken: ik ben het er niet mee eens, maar ik speel ’m toch maar zo. Als ik vertrouwen heb in een regisseur ga ik ervan uit dat hij misschien iets ziet wat ik niet zie. Dan buig ik het hoofd en marcheer ik mee. Ik heb in stukken gespeeld die ik werkelijk absolute kul vond. Offertorium van Erik-Ward Geerlings bijvoorbeeld. Ongelofelijke lulkoek. Niet te doen. Dode aarde, kleren van de keizer. Dan probeer ik uit woede maar uit te zoeken wat de schrijver over het hoofd heeft gezien.”

Wanneer is een stuk voor u wel adembenemend?

„Hoe meer ik gevangen raak in een stuk, hoe meer de Houdini in mij wakker wordt. Ik zoek altijd de onwaarschijnlijkheid op in een stuk.”

Ook in – pakweg – King Lear?

„Zelfs in King Lear. Ik heb hem nog nooit gespeeld, maar dat zal ooit zeker gebeuren. King Lear is de speeltuin van de ouderdom, daar ben ik nu nog te jong voor. Dat moet je niet willen doen. Anders overspeel je je hand. Ik wil niet de Rijkman Groenink van mijn vak worden.”

Ik zie ondertussen wel aan uw ogen dat u de rol voor u ziet.

„Oh ja, ik zie voor me hoe ik ’m mooi zou vinden. Eigenlijk heb ik de ideale Lear nog nooit gezien. Ton Lutz deed ooit een verschrikkelijk goede poging. John Kraaykamp kwam ook een heel eind.”

En Freek de Jonge?

„Die speelde de nar. Een aanfluiting. Freek de Jonge moet Freek de Jonge spelen, en vooral niet Shakespeare, vanuit de gedachte: dat schrijf ik nog weleens over. Dat vind ik zó ongelofelijk dom. En dan ook nog ’ns de show voor jezelf opeisen omdat je denkt dat je interessanter bent dan Shakespeare. Sodemieter op.”

Zijn er rollen die u niet kunt spelen?

„Vast en zeker. Er zijn rollen die lastig zijn. Ik vond Macbeth heel erg moeilijk. Macbeth is vervat in de ambivalentie van de werkelijkheid. Het is sprookjesachtig: een beetje Neverland, maar ook een soort kwaadaardige Harry Potter. Een combinatie van tovenarij en psyche, met heksen en wandelende bossen. Een op zichzelf staand kunstwerk dat eigenlijk niet te spelen is. Elke poging die ik gezien heb – zelfs die van Orson Welles – vind ik mislukt. De mijne was ook niet goed. Slap en ongeïnspireerd van regie en omgeving, en daardoor ook van mezelf. Je moet het ook niet spelen in een hofachtige omgeving, maar juist in een huiskamer. Dat zou ik prachtig vinden.”

Maar ja, hij gaat ’m echt niet nog een keer doen. Na een bepaalde leeftijd moet je rollen niet willen hernemen. „Ook als de verleiding groot is omdat je er de eerste keer niet goed uit bent gekomen. Je móét er ook nooit helemaal uitkomen. Dat is elke avond je enige drijfveer: proberen die rol die net niet helemaal klopt een centimeter naar links of naar rechts op te schuiven. De toeschouwer in mezelf – leermeester en tuchtmeester ineen – moet het elke avond opnieuw goed vinden. Maar de Houdini in mij, de Haifetz en de Einstein, ze zijn bijna nooit tevreden. In dat opzicht beschouw ik toneelspelen als een wetenschap; het is voortdurend onderzoek naar de essentie.”

Want het publiek moet geraakt worden, vindt de acteur. Zoals hij zelf als jongen van zestien ooit ademloos toekeek bij de slotmonoloog van Guus Hermus in Cyrano de Bergerac. Terwijl Bokma erover praat omklemmen zijn handen zijn gezicht. „Mijn god, het was alsof iemand mijn hele lijf openbrak. Ge-ni-aal. Ik krijg nóg kippenvel als ik eraan denk. Alles in mijn lichaam werd aangeraakt. En iedereen om Hermus heen veranderde ter plekke in sukkels. Je dacht echt: wat dóét dat daar? Krijgen jullie daar echt géld voor?”

Terwijl Ko van Dijk en Jeroen Krabbé toch geen kleine jongens waren.

„Ko van Dijk vond ik verschrikkelijk in dat stuk. Hermus was de absolute koning.”

Mensen vergelijken u vaak met Ko van Dijk.

„Dat vind ik een jammerlijk misverstand. Maar ik hoor dat vaker. Johan Simons [met wie Bokma al vijf jaar werkt bij de Münchner Kammerspiele] zei in Zomergasten dat hij Jeroen Willems een poëet vond en mij een romancier. Dan denk ik: oh ja? Je moet poëzie toch niet verwarren met dat schitterende zangtalent van Jeroen? Ton Lutz zei ooit: ‘Gijs Scholten van Aschat is de denker, en Pierre Bokma is de clown.’ Dat vond ik een belediging. Ik dacht: hoezo? Ik ben je circusaap niet! Tegelijkertijd heb ik geaccepteerd dat er iets waars in moet zitten. Dus ben ik ernaar op zoek gegaan.”

Is een clown dan minder dan een denker?

„Nee. De clown is uiteindelijk Pierlala de Dood; de figuur die tussen leven en dood zweeft en voor eeuwig de Paljas uit kan hangen. ‘Clown’ is op zichzelf niet denigrerend. Maar het is niet genoeg, niet af. Blijkbaar wek ik toch de indruk dat ik het uit mijn mouw schud. En de denker is juist iemand die vast wel over het goede zal nadenken. En als-ie uitgedacht is, mag jij vast ook van het resultaat meegenieten. Ik doe juist heel veel denkwerk voor ik aan een rol begin. Alleen laat ik dat op het toneel los. Daardoor denken mensen: oh, dit heeft-ie vast net bedacht.”

Maar u voelt zich dus meer verwant met Hermus dan met Van Dijk?

„Oh ja. Ik heb Ko twee keer zien spelen. Ik vond het een flapdrol. Schmieren, gekke bekken trekken. Iemand die uit zijn hoofd opzei. Hij speelde toen Herfst in Riga. Mary Dresselhuys speelde naast hem ondertussen de sterren van de hemel. Echt een heldin van mij, vroeger.”

Wordt er nu beter toneelgespeeld dan in de dagen van Van Dijk en Hermus?

„Anders. Toen zat je als publiek stilzwijgend de afspraak na te komen dat er tussen acht en elf een andere wereld voor je openging. Die heiligheid van afspraken bestaat niet meer. Ik voel alleen de heiligheid van de opdracht: iets maken dat nieuw is en iets zegt over de actualiteit. Als je Dantons Dood ziet dat ik nu in Duitsland speel; daar heeft Johan Simons iets van gemaakt op extreem hoog niveau. Hij verdisconteert Houellebecq, Sloterdijk, Camus en De Sade in de tekst, als commentaar op wat er vandaag de dag aan de hand is. Dat kunnen die Duitsers ook aan. Daar is een totaal ander soort aandacht, het publiek is vele malen meer onderlegd. Als ze het niks vinden, lopen ze ook gewoon weg. Het heeft met niveau te maken. Nederland is zo’n ongelofelijke provincie. Ik kom vrienden tegen die het over niks anders hebben dan over dat ene stukje, dat krantje, dat twittertje en dat facebookje. Dan denk ik: hou toch ’ns op, vervelende kwasten. In Duitsland gaat het op een andere schaal; net iets verstandiger, afgewogener en reëler dan die lulkoek hier.”

U speelt dertig jaar toneel. Waaraan merkt u dat uw vakmanschap groeit?

„Dit is geen vak. Het heeft alleen met lef, lust en inzicht te maken.”

Inzicht, lef en lust; als je die letters achter elkaar zet dan staat er “ill”. Ziek.

„Toneelspelen ís ook een soort hersenaandoening. Maar voor mij essentieel om te kunnen bestaan. Als acteur metafyseer je het leven; je maakt het gewone bijzonder. Op dat toneel probeer ik inzicht te geven in de bedrading van het bestaan.”

Wel met de woorden van een ander.

„Dat maakt niet uit. Soms haal je eruit wat de schrijver er zelf niet in vermoed had. Alleen is toneel vaak als vet op water. Waarbij toneel het vet is en het bestaan het water. Het mengt nooit echt. Dat is ons grote verdriet. Het blijft één grote ontsnappingsclausule. Daarom moet het zo intens zijn. En laten we na afloop in godsnaam over het stuk, over de materie zelf praten. Over hoe het toch komt dat wij als mensen steeds meer weer in dezelfde val trappen. Dáár moet het over gaan. Niet over hoe fraai de belichting was of over dat ‘die en die’ zo prachtig was. Donder nou toch op. Dan heb ik dus echt totaal voor niets gespeeld.”

De Prooi wordt vanaf zaterdag door de VARA uitgezonden, om 20.20 uur op Nederland 2.