Iemand anders A

Fictie

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: het eerste hoofdstuk uit de roman

Het grootste geluk van Eveline Vreeburg (29).

ls meisje werkte Hubertine bij een lokaal handelskantoor. Ze typte bestellingen uit voor huishoudartikelen; stofzuigers, boilers. Op een rammelend dienblad bracht ze koffie naar de vergaderzaal. Haar baas zei: ‘Die komt er wel.’

De eerste grote liefde van Hubertine heette Tony. Ze was nog net geen zestien. Tony was een paar jaar ouder. In de wijk waar Tony woonde stonden elektriciteitsmasten. Volgens de moeder van Tony kregen de bewoners daar kanker van. Volgens Tony kreeg je overal wel kanker van. Niet ver van de woning lag een weg waar je tachtig mocht rijden. Hubertine werd daar ’s nachts wel eens met haar fiets aangehouden omdat ze steeds de weg opreed. Tony was kastelein. In het café waar hij werkte trad Hubertines vader op. Achterin stond de vleugel. Haar vader was een virtuoos. Soms speelde hij ook trompet. Hij kreeg haast niets betaald. Hubertine dronk bessenjenever aan de bar. Ze ging er rood van kotsen. Ze waren verliefd. Hubertine en Tony. Ze deden het in het bos tegen een boom. Ze deden het in zijn slaapkamer op het bed. Ze deden het in de auto, tegen de auto. Voorbijgangers toeterden. Ze deden het overal. De moeder van Tony vond dat haar zoon te veel in bed lag. Soms kwam ze ineens de kamer ingelopen. Dan trok Hubertine snel de dekens over zich heen. ‘Je moet normaal doen!’ zei Tony tegen zijn moeder.

Soms moest Tony met zijn vrienden afspreken. ‘Nu moet je naar huis,’ zei hij dan.

Hubertine woonde naast een kerk die protestants was. Ze wist niet zeker of ze protestants was. Zondags nam haar moeder haar mee naar de kerk. Zomer of winter: het was in de kerk altijd een paar graden kouder dan daarbuiten. Overdag haakte haar moeder kleedjes tot het niet meer ging. Haar lichaam deed pijn. ‘Ik ga dood,’ zei haar moeder. Ze keek uit het raam de straat op. De groenteman kwam iedere dag. ‘Je gaat niet dood, mama,’ zei Hubertine.

De vader van Hubertine was verliefd op iemand anders. Hij was daar in de oorlog mee begonnen. Hij was krijgsgevangen op een boerderij waar wulpse dames rondscharrelden met rode lippenstift. In de ochtend las Hubertine de liefdesbrieven die op de mat vielen. Haar moeder lag nog in bed met haar pijn. Hubertine bewaarde de brieven voor als haar vader weer eens thuiskwam. Er stonden hartjes in de kantlijnen getekend en zoentjes van de rode lippenstift.

Soms was de vader van Hubertine niet meer verliefd. Dan ging hij naar het café om iemand anders te zoeken op wie hij verliefd kon worden. Haar vader werd snel verliefd. In het café stelde hij de nieuwe vriendinnen aan zijn dochter voor. Hubertine vond de nieuwe vriendinnen allemaal even aardig. Na een tijdje begon Hubertine te hopen dat haar vader eens op haar verliefd werd.

‘Als ze me dood rijden, heb ik het geluk van de wereld gekend,’ zei Hubertine hardop nadat Tony haar naar huis had gestuurd. Ze hadden weer de hele dag in bed gelegen. Tony stopte altijd pas met zwaaien wanneer ze helemaal uit het zicht verdwenen was. Hubertine reed over de weg waar je tachtig mocht rijden. Het was warm. De lucht was blauw. Ze kon nauwelijks haar stuur rechthouden van al dat geluk.

Thuis zat Hubertine te wachten tot ze Tony weer kon zien. In het weekend wachtte ze aan zijn bar in het café waar haar vader speelde. Naar school ging ze niet. ‘Jij hoeft niet te studeren,’ zei haar moeder, ‘jij wordt later moeder.’

Tony ging op vakantie. Vanuit een telefooncel belde hij ’s nachts naar Hubertine. ‘Ik mis je,’ zei hij tegen Hubertine, ‘ik mis je zo.’

Na een paar weken was Tony weer terug. Midden in de nacht kwam hij aan. Het onweerde. Hubertine liep hem tegemoet door de regen. In de verte zag ze de lichten van zijn fiets. Tony droeg een regenpak. Zijn haren plakten in zijn gezicht. Ze stonden midden op de weg. Er reden haast geen auto’s. ‘Ik laat je nooit meer alleen,’ zei Tony tegen Hubertine. Achter op de fiets kuste Hubertine zijn nek. Hij rook lekker naar de drank.

De moeder van Tony was niet thuis. Ze gingen snel in haar bed liggen. Het geluk werd Hubertine gewoon te veel. ‘Wat is er?’ vroeg Tony toen hij in haar kwam. ‘Je kijkt raar. Ben je vreemdgegaan?’ Hubertine schudde haar hoofd. ‘Nee,’ zei ze, ‘er is juist niets.’

In de keuken maakte Hubertine het eten klaar. De moeder van Tony wilde stoppen met roken. Ze rookte iedere sigaret alsof het haar laatste was.

‘Hier krijg je nou kanker van,’ zei de moeder van Tony terwijl ze inhaleerde. Ze wees met de brandende sigaret naar de hemel. ‘Van leven ga je dood,’ zei Tony. De vader van Tony was nergens te bekennen. Hij bekleedde een hogere functie bij een overheidsinstantie. ‘Hij leeft voor zijn werk,’ klaagde de moeder van Tony, ‘daar heb je niets aan.’ Hubertine zette de borden op tafel. ‘Koken kan ze,’ zei de moeder van Tony.

Tony ging steeds vaker naar zijn vrienden. Hubertine zat steeds vaker op hem te wachten. ‘Waarom spreek je niet met je vriendinnen af?’ vroeg haar grote liefde. Daar had Hubertine geen zin in. Ze had nergens zin in.

Thuis schoof Hubertine weer aan de keukentafel. Ze leunde met haar ellebogen op het koude blad.

‘Ik wil weg,’ zei ze, ‘ik wil er niet meer zijn.’

Haar vader stond naast het aanrecht. Hij had zijn handen in zijn zij. Op tafel stond een blikje bier.

‘Jij bent mislukt,’ legde hij uit, ‘en die jongen ook.’

In het weekend ging Hubertine weer aan de bar staan. Tony dronk rum met zijn collega’s. Hubertine dronk zo veel mogelijk bessenjenever. Haar vader kwam binnen. Hij liep meteen door naar de vleugel. Achter in het café begon hij piano te spelen. Hubertine kende het stuk. Ze had het hem thuis horen oefenen. De nieuwe vriendinnen stonden ook rond de vleugel. Sommige vriendinnen moesten huilen.

‘Ik ben niet mislukt,’ legde Hubertine de nieuwe vriendinnen uit, ‘ik ben niet mislukt.’ De nieuwe vriendinnen boden haar een drankje aan. Hubertine dronk de jenever van de nieuwe vriendinnen, daarna ging ze naar de andere bar.

Het werd al licht toen Hubertine naar huis ging. Ze zat achter op de fiets. Een andere barman bracht haar tot het benzinestation bij de weg waar ze wel eens was aangehouden omdat ze steeds de weg opreed. Ze deden het tegen een muurtje. De barman fluisterde lieve woordjes in haar oor. Hubertine durfde niet echt iets terug te zeggen.

‘Ik bel je morgen,’ zei de barman toen hij klaar was. Hij ritste zijn broek dicht alsof hij net geplast had. Het laatste stuk liep Hubertine alleen. Ze gaf over in het struikgewas.

Tony was al thuis. Zijn fiets lag op de grond voor de deur. De sleutels lagen onder de mat. Het regende. Hubertine had het koud. Er kroop spuug langs haar kin. Er liep sperma langs haar dij. Het duurde een tijd voor de sleutel in het slot paste.

In de berging pakte ze een zak snoep. Ze sloop de trap op. Het papier maakte nog het meeste lawaai.

Tony lag al te slapen. Hij sliep alsof hij dood was. Zijn schoenen staken onder de dekens vandaan. Hubertine deed zijn schoenen uit. Met het snoepgoed kroop ze naast haar eerste grote liefde in het bed. Op een lege maag kon ze niet slapen.