Een loflied op de experimentatoren

Bij wetenschappers tref je twee uitersten. Het ene uiterste vind je bij een schoolbord, met een hoofd vol concepten en kleren vol krijt. Het andere vind je op een berg, op een schip, onder de grond of in een ander onherbergzaam oord, met een schroevendraaier onder handbereik.

De meeste mensen achten het met krijt bestofte type – de theoreticus – het hoogst. De meeste theoretici vinden zichzelf trouwens ook het belangrijkst. Zonder hen zouden praktisch ingestelde experimentatoren maar verdwalen, of op dwaalsporen belanden. Kort gezegd: theoretici wijzen de weg.

Neem als voorbeeld – nog één keer – dat Higgsdeeltje. Dat leverde een Nobelprijs op toen het bestaan ervan experimenteel was bevestigd. Maar: die prijs ging naar de theoretici die het deeltje een halve eeuw eerder hadden bedacht.

Uiteraard, zo vonden de theoretici.

Misschien vergaten zij dat alleen achteraf alles zo duidelijk lijkt. Waarschijnlijk dachten ze er niet aan dat ook experimentatoren de leiding kunnen nemen.

Neem een recent voorbeeld: de kosmos. Metingen tonen keer op keer dat die een vreemde boekhouding heeft: zo zou een kwart van het heelal bestaan uit een geheimzinnige, onzichtbare materievorm. Maar een heldere theoretische verklaring ontbreekt. Er bestaat slechts een stroom uiteenlopende materiekandidaten – neutralinos, sneutrinos, gravitinos enzovoorts – die geen van allen nog zijn gevonden.

Ook de vraag naar de aard van de geheimzinnige ‘donkere energie’, die volgens metingen het heelal versneld laat uitdijen (en die zelfs driekwart van de kosmos zou uitmaken!) heeft geen duidelijk theoretisch antwoord gekregen.

Theoretici hebben wel allerlei andere speculatieve theorieën bedacht. Er zouden talloze heelallen bestaan waarvan onze kosmos er maar eentje is. Ons heelal is allicht uit een zwart gat geboren. Of: de hele Oerknaltheorie klopt niet en we moeten anders naar onze kosmos kijken.

Wie zal het zeggen? Juist.

In zijn nieuwe boek Behind the Scenes of the Universe haalt fysicus Gianfranco Bertone een versje aan waarin Jonathan Swift 300 jaar geleden spotte met de cartografen:

So Geographers in Afric-maps,

with Savage-Picture fill their Gaps,

and o’er uninhabitable Downs,

Place Elephants for Want of Towns.’

Dat klinkt ineens erg actueel: abstracte olifanten zijn fantastisch leuk, maar vergeet de experimentator niet. Degene dus die bij nacht en ontij, creatief en vernuftig, nagaat of die speculaties wel kloppen. Die zo voor dwaalwegen behoedt, en die zo de weg naar nieuwe plekken wijst.

    • Margriet van der Heijden