De plotse rehabilitatie van de OPCW

Op een conferentie over chemische wapens, begin vorige week, stonden in de koffiepauze wat experts te praten. Dit was drie dagen vóórdat de OPCW in Den Haag – Organization for the Prohibition of Chemical Weapons – de Nobelprijs voor de vrede kreeg. „Fantastisch dat we Syrië in kunnen”, zei een voormalig werknemer van het OPCW. „Maar we hebben te weinig mensen en materieel. Onder druk van Amerika en andere landen hebben we eerst jaren de begroting moeten bevriezen. De laatste jaren moesten we flink bezuinigen. Van de 200 inspecteurs zijn er maar 112 over. Het materieel is sterk verouderd omdat we nauwelijks nieuwe konden kopen.”

Hoe ironisch. Een internationale organisatie die jarenlang als zinloze ‘verkwister’ van nationale belastingcenten werd beschouwd, belichaamt vandaag ineens onze hoop op een vreedzame oplossing in Syrië. De organisatie is geen spat veranderd. De tijdgeest wel. Dat zegt iets over de scepsis waarmee veel mensen momenteel ook ándere internationale organisaties bekijken.

In 2002 werkten de Verenigde Staten de vorige baas van de OPCW, de Braziliaan José Bustani, de tent uit omdat hij tegen een Amerikaanse inval in Irak was. Bustani probeerde Irak zover te krijgen inspecties en ontmanteling van chemische wapens te accepteren. Hij deed precies waar hij voor was aangenomen. Maar Washington vond dat hij hun politiek ondermijnde. Met het argument dat Bustani een verwerpelijke managementstijl had, mobiliseerde toenmalig VN-ambassadeur John Bolton een meerderheid van landen om hem te ontslaan, onder wie bijna alle EU-landen (behalve Frankrijk, dat tegen een inval in Irak was). De Amerikaanse opstelling is nu, elf jaar later en onder een andere president, 180 graden gedraaid. Nu gaat het om Syrië. Washington ziet na militaire avonturen in Irak en Libië, die niets hebben opgelost, geen heil in oorlog. Dus schuift het datzelfde OPCW naar voren, om te bewijzen dat de internationale gemeenschap op vreedzame wijze toch iets kan doen.

Wat het OPCW is overkomen, kan veel internationale organisaties gebeuren. Hun rol en status zijn afhankelijk van de plannen en meningen van de lidstaten. Strookt het een met het ander, dan prijzen regeringen die organisaties en breiden ze ze uit. Strookt het niet, dan bekritiseren en ringeloren ze hen. De geschiedenis toont een constante slingerbeweging: heen en weer.

Weinig mensen weten dat er rond 1850 in Brussel al ongeveer 150 internationale groeperingen zaten. Die werden opgezet door politici en wereldverbeteraars, maar vooral ook door vaklui uit de hele wereld, die het onzinnig vonden om steeds hetzelfde wiel uit te vinden. Juristen wilden internationale arbitrage, statistici dezelfde meetmethodes, dokters één vaccin, telegrafisten één netwerk. De Eerste Wereldoorlog maakte een eind aan deze initiatieven. Later werd die samenwerking weer opgepakt.

VN, Wereldbank, IMF en de Europese Unie zijn ontstaan na twee wereldoorlogen, toen politici en burgers het vechten beu waren en het universalisme weer omarmden. Ook deze organisaties zijn zo sterk als de lidstaten het willen. Het tij keert weer. Veel landen vinden dat het universalisme dat ze ooit zelf in gang zetten, doorschiet. Ook de populariteit van de EU gaat naar een dieptepunt. Marine Le Pen van het Front National zegt dat de EU „zal instorten, zoals de Sovjet-Unie”. Regeringen hekelen de macht van ongekozen technocraten, willen bezuinigen en „bevoegdheden repatriëren”. Hervormingen zijn zeker nodig. Maar laat de plotselinge rehabilitatie van de OPCW dienen als reminder van een historische wetmatigheid: internationale organisaties die je vandaag kapot maakt, moet je morgen opnieuw uitvinden.

Caroline de Gruyter schrijft op deze plek elke zaterdag over Europa en politiek.