De aftakeling van de democratie

Als Starbucks een vetarme soja latte kan maken, waarom kunnen we democratie dan niet op maat leveren, vraagt schrijver en Financial Times-columnist Philip Coggan zich af.

Democratie is geen exportartikel meer. Dat was wel anders toen de Verenigde Staten in 2003 met het gelijk van de zendeling Irak binnenvielen en dictator Saddam verwijderden. De landen van het Midden-Oosten waren toe aan bestuur van het volk voor het volk; de ene dominosteen na de andere zou kantelen. Na weken verlammend geruzie in Washington lijkt de Amerikaanse democratie zelf vastgelopen en uitgewoond.

De shutdown is een Amerikaanse specialiteit, maar het gaat aan deze kant van de oceaan nergens heel veel beter met de democratie. In vrijwel alle West-Europese landen met een rijk verleden van door het volk veroverd bestuur heerst malaise. De kiezers komen op uit plichtsbesef of boosheid, zonder de illusie veel invloed te hebben. Bestuurders kunnen zelden leveren wat het volk verwacht.

Philip Coggan, schrijver van de Buttonwood-column in de Financial Times, geeft een alarmerend overzicht van de vermoeidheidsverschijnselen in al onze democratieën. Zijn boek The Last Vote – The Threats to Western Democracy is geen pamflet tegen de democratie. Het is evenmin een betoog dat links of rechts uitpakt, noch de aankondiging van een nieuwe Stalin of Hitler. Coggan noemt zijn boek een ‘wake-up call’. We kunnen het er niet bij laten zitten.

Verwacht van deze goed schrijvende Britse journalist geen dramatisch voorstel à la David Van Reybrouck die in zijn recente boek Tegen Verkiezingen ervoor pleit het bevoegd gezag ten dele te laten aanstellen door loting, net als in het oude Athene. Coggan kent zijn klassieken. Hij staat uitvoerig stil bij de opkomst van de democratie, ‘de triomf van een idee’. En vliegt met verhelderende kennis van het terrein over diverse landen en systemen waar het idee voortleeft maar in veel gevallen tot geringe tevredenheid.

Hier schrijft een betrokken rapporteur van de democratische realiteit in ons deel van de wereld. Over situaties waarin je stem als kiezer bij voorbaat waardeloos is: het ‘winner takes all’-systeem (hier meestal districtenstelsel genoemd) schakelt de minderheidskiezer uit in overweldigend anders gekleurde gebieden.

Wij kennen hier maar al te goed de nadelen van evenredige vertegenwoordiging: je mag vol overgave op jouw kandidaat stemmen, die met wat geluk ook in het parlement komt. Maar hoe er vervolgens wordt geregeerd bepalen insiders in mistige onderhandelingen. Het resultaat houdt niet zichtbaar verband met waarom je op A, B of C stemde. Compromissen smaken op z’n best zouteloos.

Ondoorzichtig

Coggan noemt ook de groeiende rol van geld. Vooral het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarvan alle leden iedere twee jaar moeten zien herkozen te worden, is één permanent campagnecentrum. In het Britse geval zijn de Conservatieven van oudsher afhankelijk van het bedrijfsleven en Labour van de bonden. In Frankrijk spelen vergelijkbare banden. Het Italië van Berlusconi was een speciale variant. De Nederlandse praktijk is vrij ondoorzichtig.

Europeanisering en globalisering hebben de machteloosheid van de nationale democratieën vergroot zonder dat er geloofwaardige, grootschaliger vormen van democratie voor zijn teruggekomen. De democratieën hebben moeite multinationale bedrijven bij te benen. Lobbykracht wint het vaak van ideeën en overtuigingen.

Coggan beschrijft hoe de laatste vijftig jaar een nieuwe vorm van delegatie van macht heeft plaatsgevonden: via volksvertegenwoordigers aan technocraten. De politiek is daardoor zelf ook doordrenkt van de gedachte dat bestuur een managementvraagstuk is. Hij wijt de malaise van het Europees bestuur mede aan de combinatie van ver weg en technocratie. In het kielzog van dat democratische tekort vechten Europees en internationaal recht ook voor legitimiteit.

Lage opkomst

Technocratie is voor de meeste mensen altijd nog aantrekkelijker dan een sterke man. Maar de wervende kracht van onze democratieën is niet toegenomen sinds in de jaren 90 verkiezingen als strijd tussen tegengestelde wereldvisies zijn vervangen door een biedingsoorlog tussen rivaliserende managementteams. Het verontrustendste teken dat er iets mis is met westerse democratieën is de overal afnemende opkomst bij verkiezingen. Coggan noemt het ironisch dat die trend sterker werd juist toen de liberale democratieën de overwinning op het communisme mochten vieren. Voor steeds meer kiezers lijkt het niet meer de moeite te gaan stemmen.

Zeker in districtenstelsels kan deze tanende belangstelling tot dramatische cijfers leiden. Bij de Britse verkiezingen van 2005 won Labour met 35 procent van de stemmen 55 procent van de zetels. Gezien het opkomstpercentage van 61,3 rekent Coggan voor dat de regeringsmeerderheid berustte op 21,5 procent van de stemgerechtigden.

Het Britse systeem is erop gericht sterke meerderheden te produceren, maar desondanks krijgen de twee grote partijen, waartussen de strijd wordt gestreden, nog maar tweederde van de stemmen. In 1951 kregen zij nog samen 96 procent. De groeiende rol van ‘andere partijen’ zoals de Liberaal-Democraten en de anti-Europese UKIP duidt op onvrede – die wordt maar moeizaam omgezet in invloed. Systeemwijzigingen blijken nergens makkelijk te realiseren.

Coggan vat het probleem van onze Westerse democratie samen met de verzuchting: Als Starbucks een vetarme soja-latte met een extra shot koffie kan maken, waarom lukt het onze systemen dan zo slecht meer maatwerk te leveren? Het ligt niet aan onwil van burgers zich politiek druk te maken. In februari 2003 gingen miljoenen de straten van Londen, Barcelona, Rome en 800 andere steden op om tegen een Irak-invasie te protesteren.

Een YouGov-opiniepeiling van vorig jaar liet zien dat 24 procent van de Britten meent dat hun parlement zinnige debatten voert over zaken van belang; 62 procent vindt dat politici voortdurend liegen. Bij de kijkers van het serieuze BBC-programma Newsnight ligt dat percentage nauwelijks lager.

In aparte hoofdstukken beschrijft Coggan de cruciale rol van geld, belastingheffing en begrotingspolitiek als meest symbolische én ontwrichtende factoren in de politiek van de laatste zeventig jaar. Kort gezegd is te veel beloofd met geld dat er niet was, niet kwam en er nog steeds niet is. We beleven de grote desillusie van die gedeeltelijk mislukte goocheltruc.

Het verdampen van solidariteit en van vertrouwen in een democratische toekomst is de prijs die nu wordt betaald. Met extreme anti-systeempartijen en mislukte Arabische lentes als onthutsende nevenproducten.

Heeft de rapporteur ook remedies voor de ‘langzame, weinig spectaculaire aftakeling van de democratie’? Directe democratie, online meebesturen, nadruk op lokale vertegenwoordiging of juist een wereldregering? Coggan is te veel verslaggever om in wondermiddelen te geloven. Waar het op aankomt is onze betrokkenheid. Wij hebben het laatste woord als we ons druk maken. Als de democratie te gronde gaat is het onze eigen schuld.