Anatomische les, Chanel, Gravity

Joyce Roodnat

Zoiets vind ik nou magisch: ik kijk naar een knoop die Marlene Dietrich zelf heeft dichtgeknoopt. Hij is versierd met twee verstrengelde C’s, en zit op het koffieroomkleurige mantelpakje dat Coco Chanel voor la Dietrich maakte.

Het pakje opent de Chanel-tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag en verraadt meteen Chanels klasse. Elk jasje, elke rok, elke japon, en alle versies van haar roemruchte petite robe noire, hier opgesteld als een troep merels, allemaal zijn ze anatomische lessen die Chanel zichzelf leerde. Koersend langs de lijnen van het lichaam, joeg ze op het wezen van de vrouw. Och, misschien ging het haar vooral om inzicht in haar eigen ziel – welbeschouwd stond alle kleding die Coco Chanel ontwierp haarzelf toch echt het allerbeste.

Elders in het Haagse museum gaat het er weer over, op de expositie De anatomische les, met om te beginnen tien zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderijen rond de medische snijtafel. Vrouwenlijken zijn er niet. Met reden. Een vrouwenlijf kun je niet negeren als man. En dat is wel wat hier gebeurt. Om elk lichaam heen staan heren in het zwart en die kijken nadrukkelijk níet naar die dooie witte vlek in hun midden. De schilder concentreert zich op hun gezichten, die zijn zijn onderwerp.

Maar een lijk is ongeschikt als rekwisiet. Voer je het op, dan doet het ertoe. Hij is dood, wij niet – dat wordt de teneur van al deze schilderijen.

De beroemdste ‘Anatomische les’ is van Rembrandt, met de blozende mannenportretten als een boeket boven het lijk. Zijn tweede ‘Anatomische les’ maakte hij toen hij vijftig was, in 1656. Hij schilderde de dode min of meer verticaal, van de voetzolen via de opengelegde buikholte naar het gezicht. De hoofdhuid hangt langs de wangen, de hersens liggen bloot. Een met heftige halen geschilderde jonge man probeert zijn ogen af te wenden. Lukt niet. Hij kijkt. Aan de dood valt niet te ontsnappen, murmelt dit schilderij.

De expositie gaat verder, met de schilderijen van Francis Bacon en de beelden van Berlinde De Bruyckere. Zij tonen de mens als bederfelijke homp. Maar de Brit Marc Quinn zet de ultieme stap. Een rubberen afdruk van zijn eigen huid hangt in vellen naar omlaag. Dat naakte lijk, dat ben ik, bedoelt Quinn. ‘No Visible Means of Escape II’ noemde hij dit werk: een uitweg is er niet.

Ik zie Gravity. Veelgeprezen sciencefictionfilm in superieur 3D, dat de ruimte diep en schrikbarend maakt. Maar ik kom er maar niet in. Het enige dat me bij de les houdt, is dat dit een solo-optreden is – dat is bijzonder voor zo’n dure Hollywoodproductie. Superster George Clooney vervult een gastrolletje en verdwijnt in space. Vervolgens wordt deze enorme film bemand door nog maar één actrice: Sandra Bullock. Ze speelt knap de astronaute die klem zit in het eeuwige donker en de perfecte stilte. Ze gaat eraan, tenzij ze aan de oneindigheid kan ontsnappen en haar weg terug naar moeder aarde weet te vinden.

Het ruimtegedoe van deze film is me te kinderlijk. Ik verveel me niet hoor, er is genoeg te zien. Maar mijn gedachten nemen de vrije loop. Ineens dringt tot me door dat ik iets over het hoofd zie. Ik moet serieus nemen dat deze astronaute een moeder is. Ze verloor het dochtertje dat ze eens had bij een dom ongelukje op het schoolplein. Ik deed dat af als een sentimenteel extraatje, goed voor de traan die gewichtloos uit haar ooghoek opstijgt. Maar het is de kern van de film.

Beschouw Gravity als metafoor voor haar rouw en je ondergaat de angstaanjagende dimensies van het verlies van een kind. Alle houvast is weg. Het begrip tijd is gereduceerd tot de hoeveelheden brandstof en zuurstof die ze heeft. Het ruimtepak berooft haar van haar vrouwelijkheid en belemmert haar bewegingen. Gewichtloos zwabbert ze rond, overgeleverd aan de chaos.

Ja, zo voelt peilloos verdriet. En wat is het verwerken van onoverkomelijk lijden anders dan weer leren vertrouwen op de basis van alles, de zwaartekracht? Daar gaat Gravity over.

De astronaute bereikt de aarde. We zien haar uit het water aan land kruipen. Wankelend verheft ze zich van vier poten naar twee benen. Ze wordt opnieuw geboren, op de manier van de allereerste mens.

De dood bestaat. Je kunt van hem wegkijken zoals de zeventiende eeuwers. Je kunt hem blussen met leven, zoals Coco Chanel. Maar uiteindelijk zit er niks anders op: je moet hem onder ogen zien. En dan zet je het op een leven.

    • Joyce Roodnat