Soms is er te weinig geld om te eten

Staatssecretaris Klijnsma reisde deze week door Nederland „om de armoede te bestrijden”. Ze sprak arme mensen, wethouders en kinderen. Wat is armoede, en wat kan je eraan doen?

Kinderen van de Albert Schweitzer-school volgen een les van Elssien Hamizadeh over het omgaan met geld en schulden.

Ismail Yildez – schilder, maar nu werkloos – denkt heel even dat staatssecretaris Jetta Klijnsma (Sociale Zaken, PvdA) geld komt brengen. Het waren haar eigen woorden aan het begin van een rondreis, deze hele week, langs gemeentes, scholen, verenigingen en voedselbanken: „Ik ben op estafette om de armoede te bestrijden.”

Het kabinet wil dit jaar 20 miljoen euro uitgeven aan armoedebestrijding, volgend jaar 80 miljoen en de jaren erna steeds 100 miljoen. Tegelijk bezuinigt Rutte II 6 miljard en wil het kabinet dat mensen elkáár gaan helpen als ze in de problemen zitten. Alleen als het niet anders kan, zijn het vooral de gemeentes die armen moeten bijstaan. Die krijgen ook het grootste deel van het extra geld. Wat doe je dan als staatssecretaris op ‘armoede- en schuldenestafette’?

„Ik verzamel goede voorbeelden en geef die door”, zegt Klijnsma op de eerste dag, in de Rotterdamse wijk Feyenoord. En ze overlaadt wethouders, leraren en vrijwilligers met complimenten: het is „heel fijn” wat ze doen voor arme gezinnen en ze moeten er natuurlijk mee doorgaan.

Ismail Yildez (40), geboren in Turkije, woont al 23 jaar in Feyenoord. Hij heeft drie kinderen, zijn vrouw werkt ook niet. Tot vorig jaar stemde hij op de PvdA, maar nu is hij boos. „Wat heeft die partij voor ons gedaan? Niks. Wij betalen de schulden van de landen in Zuid-Europa en mijn werk wordt afgepakt door Bulgaren en Polen.”

Zijn twee zonen Aydin (12) en Batuhan (10) haalden hun A-diploma met schoolzwemmen, voor B en C was geen geld. Ze zijn nu wel lid van Hockeyclub Feyenoord – een sportfonds voor kinderen helpt de leden van de club die de contributie, 100 euro per jaar, niet kunnen betalen. Vooral Batuhan geldt bij de club als een talent.

De oprichters van HC Feyenoord willen kinderen uit de wijk laten meedoen aan een sport die ze meestal alleen kennen van televisie: met veel blanke, blonde spelers. Ze trainen op veldjes naast speeltuinen of in een gemeentelijke sporthal. Van de gemeente kwam subsidie voor een eigen hockeyveld, bedrijven uit de buurt helpen mee. Maar er is nog niets voor een clubhuis. Kan Klijnsma iets doen? „Bel nog eens naar de gemeente”, zegt ze tegen de bestuursleden. „Rond deze tijd wordt duidelijk of er wat overblijft op de begroting. Ik weet dat, want ik ben zelf wethouder geweest.”

De gemeentes moeten het doen, vindt de regering. Maar Klijnsma heeft al wel bedacht dat een deel van het extra armoedegeld direct naar een paar fondsen gaat voor kinderen: het sportfonds, het Jeugdcultuurfonds om kinderen muziek- of dansles te laten volgen en de Stichting Leergeld, die kinderen helpt als hun ouders geen computer of schoolreisjes kunnen betalen.

Eerder op de dag had Klijnsma geluncht met wethouders van Sociale Zaken uit Den Haag en buurgemeenten. De een na de ander zei dat steeds meer inwoners geholpen moeten worden omdat ze schulden hebben. En steeds vaker komt dat omdat ze de hypotheek niet meer kunnen betalen. De wethouders klaagden: ze moeten in de meeste gevallen per individu nagaan welke hulp nodig is. Dat kost veel tijd en geld. De gemeentes willen liever per categorie steun uitdelen.

Klijnsma zei dat ze het begreep. Maar „de coalitiepartner”, de VVD, was bang dat het geld „op verkeerde plekken” terechtkwam. „En die wil niet dat gemeentes aan inkomenspolitiek doen.” Maar als de wethouders echt vonden dat het niet ging zo, moesten ze er een brief over schrijven aan haar en Tweede Kamerleden. Begin november is er in de Kamer een overleg over armoede, ze zou zien wat ze kon doen.

Op haar rondreis is Klijnsma samen met Kinderombudsman Marc Dullaert op een Rotterdamse basisschool. Volgens de Kinderombudsman leeft een op de negen kinderen in Nederland in armoede. „Wat betekent dat precies?”, vraag Dullaert aan de kinderen van groep 8. Die zeggen: dat je niet op een sport kan of op vakantie, dat je geen nieuwe fiets krijgt. Een jongen steekt zijn vinger op: „Maar in het buitenland is het erger. Daar zijn mensen die geen eten hebben en geen huis.”

Klijnsma reageert blij. „Wat goed dat jij dat zegt. Dat is natuurlijk zo. Het kan veel schrijnender dan bij ons.”

In de docentenkamer zegt Dullaert later dat er ook in Nederland veel „schrijnende gevallen” zijn: kinderen die te weinig eten en kleren hebben. „En vorige week had ik contact met de reddingsbrigade: afgelopen seizoen zijn er meer kinderen verdronken dan andere jaren. Schoolzwemmen wordt steeds vaker afgeschaft of de ouderbijdrage voor de lessen is te hoog. En in lang niet elke gemeente is het sportfonds voor kinderen actief.”

Later in de week zit Klijnsma in een kring tussen vijftien- en zestienjarige vmbo’ers: klas vier van het Merewade College in Gorinchem. Ze krijgen les over geld uitgeven en schulden. Lenen ze wel eens geld uit aan vrienden en wat doen ze als ze het niet terugkrijgen? Lenen ze zelf van anderen zonder het terug te betalen? De leerlingen geven brave antwoorden: ze vragen het geleende geld meestal terug en ze lenen nooit geld als ze denken dat ze het niet kunnen teruggeven.

En als je iets wilt kopen wat te duur voor je is? „Dan wacht je tot het uitverkoop is”, zegt Mitchel. Jetta Klijnsma vindt dat een geweldig antwoord. Ze vertelt over haar bijbaantje van vroeger: in de steenhouwerij van haar vader schilderde ze voor vijf gulden per uur letters op grafstenen. „Als ik dan op de begraafplaats kwam, zag ik mijn eigen grafstenen weer terug.”

Ze werkte en spaarde. „Ik ben ook niet het type dat meteen de allerlaatste snufjes wil hebben.”

Zoals mensen schulden kunnen maken, zegt ze ook, zo maakten regeringen ook grote schulden. „Daarom betalen we nu zoveel aan rente en moeten we bezuinigen.”

Klijnsma zegt aan het eind van de dag dat het haar meevalt: ze krijgt niet steeds maar kritiek op de bezuinigingen. „Mensen van stichtingen zeggen: ‘Het is heel akelig dat we geld kwijtraken, maar dan moeten we meer vrijwilligers zoeken.’ Dat kunnen dan ook mensen zijn die in de bijstand terecht zijn gekomen en dat is mooi. Alleen maar thuis zitten is ook niks.”

Bij de lunch zegt de directeur van de Regionale Sociale Dienst dat ze zich zorgen maakt: de regering wil 125.000 gehandicapten aan het werk helpen en de gemeentes moeten meedoen aan de begeleiding en ook mee betalen. „Dan blijft er minder over voor de mensen in de gewone bijstand.”

Ze wil er graag nog met Klijnsma over praten, maar die moet alweer bijna verder. Aan een andere tafel wil de staatssecretaris van een medewerker van de Stichting Leergeld horen hoe er wordt gewerkt: „Als jullie een hockeystick geven voor een kind, of een computer, gaan jullie dan kijken of die niet zijn verpatst en pa in de kroeg zit?” De medewerker zegt: „Het is ook een kwestie van vertrouwen.” En: „We kunnen niet op elke hoek van de straat iemand neerzetten om te zien of een kind naar de hockeyclub gaat waarvoor wij geld hebben gegeven.”

Klijnsma knikt, maar ze is niet tevreden. „Ik zal nog eens met die stichting gaan praten”, zegt ze later. Het extra geld voor armoedebestrijding krijgen ze ook niet zomaar. „Het is me te makkelijk om spullen af te geven bij de voordeur. Zie je: dat leer ik ook op zo’n tocht door het land.”