Rijkman bedoelt het niet kwaad

ABN-topman Rijkman Groenink is een hork Tenminste: in het boek De Prooi In de tv-serie maakt Pierre Bokma hem menselijker

Illustratie Thinkstock

Redacteur Media

Bankier Rijkman Groenink van ABN Amro is in New York om een bank over te nemen; belangrijk om de Amerikaanse financiële wereld binnen te komen. Na de besprekingen ziet de ABN-topman een stofzuiger op de gang staan. Dus zegt hij tegen de Amerikaanse onderhandelaar, een Aziatisch ogende vrouw: „Je kunt de bestuurskamer gaan schoonmaken.”

De overname gaat niet door. „Ik maakte maar een grápje”, zegt Groenink vol onbegrip.

De tv-serie De Prooi gaat over de ondergang van ABN Amro, die in 2007 na een vijandige overname in drieën werd geknipt. De dramaserie is gebaseerd op het gelijknamige non-fictieboek van Jeroen Smit uit 2008. Dat vergde wel een stevige ingreep, want het boek beschrijft gedetailleerd zeventien jaren vol ingewikkelde bankzaken. Gelukkig is er ook een sterke hoofdpersoon: Rijkman Groenink.

De bestuursvoorzitter ‘geniet aanzien en respect, maar de mensen houden niet van hem.’ Al zijn bankierskwaliteiten vallen in het niet bij zijn feilloos vermogen om mensen tegen zich in het harnas te jagen. De straatvechter met de babyface luistert niet, hij houdt van ruzie, van elkaar keihard de waarheid zeggen, en van grapjes op het verkeerde moment, tegen de verkeerde mensen. Een autist in een vallende bank: helemaal van deze tijd.

Tot voor kort waren de Oranjes en het Binnenhof de bron voor op feiten gebaseerde dramaseries, het bedrijfsleven veel minder. Jeroen Smit over zijn boek: „Het is toch een dik boek over een bank, laten we eerlijk zijn, vol mannen met pakken aan een tafel.” Maar de crisis biedt nieuwe kansen voor het bedrijfsdrama. We willen nu allemaal wel weten wat er mis ging. Jeroen Smit: „Bankiertje bashen is de sport geworden. Tegelijk weten we diep van binnen dat we allemaal schuldig zijn aan de hebzucht en het geloof in eeuwige groei. We hebben allemaal gegokt met ons huis als inzet.”

De bankzaken zet scenarist Frank Ketelaar slechts globaal neer. Hij concentreert zich op personage Rijkman Groenink, gespeeld door Pierre Bokma. Overmoed bracht hem en zijn bank ten val, maar het is voor de serie leuker om het op de vermeende autistische trekken te gooien. Ketelaar: „Machthebbers zijn dramatisch altijd interessant. En deze is ook nog briljant, met een deficit.”

Een cursus empathie voor beginners

Rijkman zegt: „Ik geloof niet dat in de taakomschrijving van de bestuursvoorzitter staat dat men van hem moet houden.” Toch krijgt hij ‘een cursus empathie voor beginners’. Hij krijgt de sociaal vaardige assistente Julia (Anniek Pheifer) toegewezen, die hem de kneepjes van het menselijk verkeer moet bijbrengen. Zij is de enige die Rijkman kan zeggen waar het op staat. Die assistente heeft Ketelaar erbij verzonnen. Ketelaar: „Julia geeft een tegenkleur in de mannenwereld. Zij vertegenwoordigt de gewone wereld die wél empathisch is.” Ook dient ze als de verbaasd rondkijkende buitenstaander, met wie de kijker zich kan identificeren.

Smits boek leest als één lange karaktermoord op Rijkman Groenink. Toch ziet Smit het probleem breder dan alleen als het falen van Groenink. De Prooi leest ook als een prelude op de kredietcrisis van 2008. Smit: „Banken zijn zich als gewone bedrijven gaan gedragen, en dat zijn ze niet. Een goede bankier is een halve ambtenaar. Dat betekent dat je risicomijdend moet zijn. De maximalisatie van de aandeelhouderswaarde als heilig doel nemen, zoals Groenink en vele anderen deden, is onverantwoord. Wat mij intrigeert is het spel van die mannen die in een eigen werkelijkheid zijn beland, ver verwijderd van onze werkelijkheid. Dit zijn mannen die nooit in een supermarkt komen of in een tram stappen.”

Maar hij is en blijft een bullebak

Smit verdedigt zijn hoofdpersoon: „Hij moest tien jaar van stilstand opruimen. Ze wilden ook een straatvechter. Ik heb bovendien veel respect voor zijn scherpte en passie. Groenink was een goede tennisser. Tijdens de eendenjacht heeft hij in zijn eigen arm geschoten. Daarna heeft hij zichzelf met links leren tennissen. Dat noem ik wilskracht. Ik was gaan schaken.”

Pierre Bokma, die voor zijn rol een Gouden Kalf kreeg, speelt een veel menselijkere Groenink dan de hork uit Smits boek. Een bullebak is hij nog steeds, maar Bokma kan ook – dat is zijn specialiteit – het eenzame jongetje tonen dat in Rijkman schuilt. Rijkman bedoelt het niet kwaad. Ketelaar: „Hij kan niet met mensen omgaan, maar dat heeft hij zelf niet door.” Bokma: „Iemand die empathieloos is, hoeft niet zonder liefde te zijn. Als hij aan het werk is, wil hij gewoon een klare hemel voor zich, alle wolkjes weg hebben. In de psychologie heet dat geloof ik cognitieve dissonantie.”

Volgens Bokma is Groenink ook gewoon ongeduldig met de minder slimme mensen om zich heen. „Eigenlijk denkt hij steeds: je bent een lieverd, maar je hebt wel knikkers in je hoofd. Wil je mensen meekrijgen, dan moet je betrokkenheid tonen.” Zo verzuimt Groenink volgens Bokma om een team om zich heen te verzamelen: „Hij wil krediet opnemen zonder dat hij dat opgebouwd heeft.”

Het komt, hij snapt het niet

In het laatste deel zit een abrupte registerwisseling. Middenin de overname belandt Groenink in het ziekenhuis waar hij onder invloed van morfine wonderlijke visioenen krijgt. Zelfs koning Willem I verschijnt aan zijn bed. Voor het kantoor van de De Nederlandsche Bank ligt Rijkman in de armen van Julia (piëta!) terwijl de spoken van zijn tegenstanders hem belagen (Macbeth!) en ‘Erbarme Dich’ uit de speakers knalt – de serie vertoont wel meer treffende staaltjes van Bachmisbruik. Groenink vraagt om erbarmen dat hij zelf nooit gaf.

Voor Ketelaar was de morfinedroom een kans om uit de grijze bankenwereld te breken: „Verder is het een oerrealistisch ding, met talking heads die praten over geld. Ik zag hem liggen aan de morfine en ik dacht: dit is mijn kans om de demonen op hem los te laten.”

Toch is de piëta niet de sleutelscène voor Ketelaar. Dat is de scène nadat Groenink de Aziatisch-Amerikaanse vrouw in New York heeft geschoffeerd met de stofzuiger. In een New-Yorkse taxi vertelt Julia hem ongezouten de waarheid. Ketelaar: „Dan zie je in zijn ogen een oprechte poging om het te snappen. Maar hij kan het niet snappen.”