Pleidooi voor menslievende inconsistentie

Literaire handboeken hebben het over de schokkende roman ‘De weg van alle vlees’ als een aanval op de Victoriaanse hypocrisie. Maar het is veel meer dan dat, en ook subtieler.

Samuel Butler (1835-1902)

The Way of All Flesh, de in 1903 postuum verschenen roman van Samuel Butler, geldt in Engeland als een minor classic, een bijna-meesterwerk, maar werd nooit eerder in het Nederlands vertaald. Dat moet te maken hebben met het onderwerp. In de lemma’s van de handboeken wordt de roman steevast omschreven als een ‘aanval op de Victoriaanse hypocrisie’ – en dat doet achterhaald aan: waarom zouden wij nu, behalve uit literair-historische belangstelling, willen lezen over de Victoriaanse hypocrisie? Het lijkt te gaan om een roman die belangrijk in zijn tijd is geweest.

Is dat zo? De roman, die tussen 1873 en 1884 werd geschreven, beschrijft vier generaties van de familie Pontifex, gezien door de ogen van een half-anonieme verteller, Overton geheten, die nauwelijks reliëf krijgt. Hij is vooral een vriend van Theobald Pontifex, een Anglicaanse priester, die gekleineerd is door zijn vader en dus zijn eigen kinderen kleineert – in het bijzonder zijn zoon Ernest.

De roman beschrijft de ongelukkige Werdegang van deze Ernest, die als jongetje eindeloos emotioneel gemanipuleerd wordt door zijn streng gelovige ouders. Later probeert hij tevergeefs houvast te vinden, maar de onoprechtheid van zijn vader heeft hem hopeloos goedgelovig gemaakt.

In Cambridge raakt hij onder invloed van een beweging van herboren christenen; later, wanneer hij zelf hulppriester is geworden in Londen, levert hij zichzelf uit aan een knappe, naar het katholicisme neigende collega, die hem charmeert, volpompt met holle retoriek en er met al zijn geld vandoor gaat. Hij leeft in een huis tussen de armen en vergaloppeert zich hopeloos, wanneer hij een medebewoonster voor een prostituee aanziet; hij draait, tot de schande van zijn ouders, voor zes maanden de gevangenis in.

Wanneer hij daarna het meisje tegenkomt dat door zijn vader is ontslagen omdat ze ongehuwd zwanger was, valt hij als een blok voor haar. Ze zijn gelukkig, even. Maar het leven van Ernest is vallen en opstaan – en weer vallen. Uiteindelijk komt het goed met hem door een plotwending die typisch is voor de Victoriaanse roman; een tante die het goed met hem meent, heeft een flinke erfenis voor hem weggeparkeerd, iets waar hij zelf geen weet van heeft. De verteller Overton ontpopt zich bovendien steeds meer als zijn beschermengel.

Verzengende ironie

Butler durfde zijn roman bij leven niet te publiceren – toen The Way of All Flesh na zijn dood het licht zag, paste de verzengende ironie uitstekend bij de tijdgeest, waarin honend werd afgerekend met de hypocriete Victorianen. De borende blik van Butler was in de tijd dat hij het boek schreef schokkend en indrukwekkend, omdat hij dwars door zijn eigen tijd heen keek – maar toen het verscheen lag koningin Victoria al twee jaar in haar graf en was de reactie in volle gang. Niettemin viel er nog genoeg af te rekenen, vooral met de kerk – en de roman lijkt een vroeg voorbeeld van een thema dat in de twintigste-eeuwse literatuur nog vaak genoeg zou opduiken: het individu dat zichzelf op een pijnlijke manier bevrijdt uit een benauwde (geloofs)gemeenschap en de vrijheid leert kennen.

Toch is Butlers roman veel subtieler dan dat. Dat komt allereerst door de stijl, die allesbehalve Victoriaans is, maar informeel, ironisch, bijtend brutaal – een stijl die volledig tot zijn recht komt in de trefzekere vertaling van Nele Ysebeart, die alleen, zoals zo veel andere vertalers, moeite lijkt te hebben met plat pratende personages.

Het verhaal ontstijgt bovendien het gemakkelijke zwartwitschema – de vader van Ernest, de eindeloos manipulerende Theobald, is zelf een slachtoffer van zijn eigen vader. De Pontifex-familie heeft de onoprechtheid door de generaties doorgegeven; Butler laat knap zien hoe een kind getekend wordt door zijn ouders, die weer getekend zijn door hun ouders, etc. De schlemielige Ernest, het beschadigde kind, dat vanaf het begin omgeven is door hypocrisie en dubbelhartigheid, en later geen greep kan krijgen op zijn eigen leven, wordt door de verteller niet sentimenteel neergezet; hij is, net als zijn vader, vaak genoeg onuitstaanbaar.

Christopher Hitchens

Daarbij blijkt The Way of All Flesh helemaal geen aanval op religie als zodanig – integendeel, in de vele beschouwende passages, waarin meer de stem van de auteur doorklinkt dan die van de verteller, wordt steeds opnieuw benadrukt dat alles in het leven gebaseerd is op geloof – uiteindelijk tasten we allemaal in het duister. Wanneer Ernest van zijn geloof valt, is hij korte tijd van plan alle godsdienst als frauduleus te ontmaskeren, als een Christopher Hitchens avant la lettre.

Maar dan komt hij tot ‘het inzicht dat het christendom en de afwijzing ervan elkaar per slot van rekening net als alle andere uitersten raakten; het was een strijd om benamingen – niet om de dingen zelf; de rooms-katholieke kerk, de anglicaanse kerk en de vrijdenker hebben in de praktijk dezelfde ideële norm en ontmoeten elkaar in de weldenkende mens; want wie een voorbeeldige heer is, is ook een voorbeeldige vrome.

Toen zag hij ook in dat het niet uitmaakt wat voor belijdenis, zij het van geloof of ongeloof, iemand aflegt, mits hij die met menslievende inconsistentie opvolgt, en zonder er tot het bittere einde in te volharden. Het gevaar ligt niet in het dogma of gebrek aan dogma, maar in de starheid waarmee aan dogma’s wordt vastgehouden.’

Het is dat paradoxale pleidooi voor ‘menslievende inconsistentie’ dat de onderstroom vormt van deze nog altijd scherpe, vaak komische, soms wat slepende roman. Dat de oudere Ernest zich uiteindelijk verzoent met zijn vreselijke vader komt dan ook niet als een verrassing.