Onze man in Brussel

In zijn nieuwe roman laat Jonathan Coe de saaie jaren vijftig opdoemen, de hoogtijdagen van de Koude Oorlog, die ook de Expo 58 in Brussel in zijn greep lijkt te hebben.

Het Atomium, ‘een 165 miljard keer vergroot ijzerkristal’, gebouwd in het kader van de Expo 58 in Brussel foto Vincent Mentzel

‘Entertainments’ noemde Graham Greene de komedies en thrillers die hij schreef ter afwisseling van zijn romans over diepgaande morele kwesties. De Engelse net-niet-Nobelprijswinnaar maakte zichzelf er onsterfelijk mee. Relatief ‘kleine’ boeken als The Third Man (1949, over een westernschrijver die verstrikt raakt in de Weense onderwereld) en Our Man in Havana (1958, over een stofzuigerverkoper die voor spion wordt aangezien) gelden als hoogtepunten uit zijn oeuvre.

Aan het genre van de komische spionageroman voegt Jonathan Coe (Birmingham, 1961) nu een nieuwe titel toe. In Expo 58 plaatst hij een typisch Britse fictieheld – politiek naïef, middle-class en enigszins sullig – tegen de achtergrond van de Wereldtentoonstelling in Brussel. Het zijn de hoogtijdagen van de Koude Oorlog en van de wapenwedloop tussen de VS en de Sovjet-Unie; de Spoetnik 1 is een jaar eerder gelanceerd, de mogelijkheden van kernsplitsing en kernfusie worden onderzocht.

Niettemin is het vooruitgangsoptimisme groot en wordt op het Expo 58-terrein het sterk symbolische ‘Atomium’ neergezet, een 165 miljard keer vergroot ijzerkristal. Ach ja, het is de tijd dat roken nog werd gezien als een middel tegen diverse kwalen, van zwangerschapsstress tot kortademigheid.

Het schetsen van een tijdsbeeld is wel toevertrouwd aan Jonathan Coe, die in romans als What A Carve-Up! (1994), The Rotters’ Club (2001) en The Terrible Privacy of Maxwell Sim (2010) een even scherpe als tragikomische indruk gaf van de jaren tachtig, de jaren zeventig en de jaren nul.

Zijn portret van Thomas Foley , een kleine ambtenaar op het Centraal Bureau Informatievoorziening in het Engeland van 1958, is in Expo 58 dan ook loepzuiver. Getrouwd met een saaie vrouw, wonend in een saaie voorstad van Londen, werkend op een saai kantoor, verwelkomt hij de kans om te ontsnappen aan de verstikkende atmosfeer van de Britse klassenmaatschappij.

Zijn superieuren zenden hem voor zes maanden naar Brussel om daar als opzichter te fungeren van de moderne pub in het Britse paviljoen. Het lijkt een baantje van niks, maar omdat de Britannia strategisch is gelegen in de buurt van het Amerikaanse en Russische paviljoen, wordt de pub al gauw het centrum van druk spionageverkeer.

Langzaam wordt Thomas de spionage ingetrokken. Aanvankelijk vindt hij het alleen maar machtig interessant om te praten en drinken met expogangers van diverse nationaliteiten, onder wie de ravissante hostess Anneke en de joviale Russische journalist Chersky. Maar de wereldtentoonstelling verliest haar onschuld wanneer Chersky een spion blijkt en Thomas door twee agenten van de Britse Geheime Dienst wordt gerecruteerd als honeytrap: hij moet de dochter van een Amerikaanse kernwetenschapper verleiden om te zorgen dat ze niet valt voor de Russische spion. Hoewel natuurlijk later blijkt dat het allemaal nog veel ingewikkelder ligt…

Coe heeft overduidelijk plezier in zijn spel met de conventies van het genre. Die worden nog verder onder stroom gezet omdat Thomas en de andere Britse spionnen voortdurend refereren aan hun fictieve collega James Bond, die juist in de jaren vijftig furore begon te maken. Ook de internationale misdaadfilms van Alfred Hitchcock en Carol Reed spelen op de achtergrond mee, en niet alleen doordat het eigenaardige tweetal van de Geheime Dienst is getooid met de namen Radford & Wayne, die filmfanaten als Jonathan Coe kennen als acteursduo in The Lady Vanishes en Night Train to Munich. Door hun manier van praten en kleden doen ze denken aan Jansen & Jansens uit de Kuifje-strips, wat gezien de Belgische setting geen toeval zal zijn.

De absurde verwikkelingen en de amoureuze faux-pas van Thomas Foley maken Expo 58 tot een vermakelijk boek. Stilistisch uitdagend, zoals The Rotters’ Club en Maxwell Sim, is het niet, hoewel Coe eer inlegt met zijn weergave van upperclass-taalgebruik en een stekelige briefwisseling tussen Thomas en zijn vrouw.

Wat vooral ontbreekt is een sterke plot, althans een plot waarvan je de uitkomst niet al lang van tevoren ziet aankomen. De literaire spionageroman moet het van het verrassingseffect hebben, of van de morele dilemma’s van de hoofdpersonen; Jonathan Coe excelleert in ondiepe personages. Het zou me niets verbazen als de entertainments van Greene voor dit boek het model waren. Maar jammer genoeg komt Expo 58 niet verder dan ‘gewoon’ entertainment.

    • Pieter Steinz