Monster, je ziet eruit als een doodgewone boom

‘Verhalen zijn woeste wezens. Verhalen jagen en bijten en achtervolgen. Wie weet wat voor ravage ze veroorzaken als je ze loslaat? ’ Dit citaat komt uit Zeven minuten na middernacht (A Monster Calls, 2011) van de Amerikaans Britse auteur Patrick Ness, en daarin ligt de kern van zijn schrijverschap besloten.

In Nederland is Ness betrekkelijk onbekend, maar hij is bezig met een inhaalslag: A Monster Calls is al zijn vierde boek dat dit jaar in vertaling verschijnt. Enkele weken geleden verscheen ook het overweldigende slotdeel van zijn Chaostrilogie. Een met morele dilemma’s geladen voortrazend toekomstverhaal waarin op een onbekende planeet een wrede (burger)oorlog tussen aardbewoners en inlanders wordt uitgevochten, die de jonge hoofdpersonen dwingt tot nooit voorziene keuzes. De onontkoombare gevolgen zijn wantrouwen, zinloos bloedvergieten en onbeantwoordbare (schuld)vragen. Een trilogie als deze, waarvan ieder deel even belangwekkend is, waarin geen enkele mus nodeloos van het dak valt en de taal afwisselend helder en poëtisch is, is een zeldzaam fenomeen.

In Zeven minuten na middernacht legt Ness eenzelfde ambitie aan de dag: een verhaal vertellen om je een droom, een andere waarheid aan te reiken. Dat de vertelkunst dat vermag ondervindt de dertienjarige Conor, Ness’ nieuwe protagonist. Sinds zijn moeder stervende is wordt hij achtervolgd door een nachtmerrie. In deze terugkerende angstdroom balanceert hij op de rand van een afgrond, tot een ‘zwarte duisternis’ hem wakker schudt. Dan, op een nacht, precies om ‘zeven over twaalf’, krijgt hij bezoek van een monster dat hem aanspoort op zoek te gaan naar de afloop van het nachtmerrieverhaal. Ness’ originele creatie is een woest uitziend gigantisch wezen, verwant aan de heidense mythische ‘Green Man’ (symbool van levenskracht). En in Conors ogen heeft die verdacht veel weg van de taxusboom op het kerkhof, waarop hij vanuit zijn slaapkamerraam uitkijkt. Dat leidt tot scepsis: ‘Je ziet eruit als een boom’, spreekt Conor het monster ontnuchterend toe, waardoor het droevige verhaal een lichtvoetige ondertoon krijgt en het weinig moeite kost je ongeloof op te schorten. Ook de dynamische, huiveringwekkende illustraties van Jim Kay versterken het suggestieve karakter van het boek.

Het monster is – letterlijk en figuurlijk – net zo’n fantastische vondst als ‘De Herrie’ in de Chaostrilogie, een fenomeen dat er de oorzaak van is dat ieders innerlijke stem steeds waarneembaar is voor de buitenwereld; het leven wordt ervaren als een brij van geluid en gedachten waarin de waarheid niet langer eenduidig kan zijn. In Conors hoofd is het ook een chaos. Het monster helpt hem die wirwar van emoties te ontrafelen, door hem sprookjesachtige verhalen te vertellen. Die ‘bijten’ en ‘achtervolgen’ hem net zo lang totdat hij inziet dat hij de pijnlijke ‘waarheid van de nachtmerrie’ moet aanvaarden.

De apotheose speelt zich veelbetekenend af onder de taxusboom (in de Keltische cultuur de verbinding tussen leven en dood), en is even huiveringwekkend als ontroerend. Daar daalt Conor af in de krochten van zijn ziel en ontdekt hij ‘het échte monster, gevormd door wolken en as en donkere vlammen’, het ‘wezen uit de afgrond’ dat zijn moeder wil ‘meesleuren in een zwarte duisternis’. Het trekt net zo lang aan haar handen, totdat Conor haar loslaat, de dood aanschouwt en weer durft te leven. ‘Verhalen zijn woeste wezens’. Ness’ boeken tonen dat overtuigend aan. Hoe verontrustend ook, we hebben ze nodig om de monsters in onszelf te kunnen verslaan en zin aan ons bestaan te geven.

Mirjam Noorduijn

    • Mirjam Noorduijn