Kon ik mijn kind maar laten leeglopen

Een moeder onderneemt een helletocht door verbrande duinen in de roman van Elke Geurts. Het is angstaanjagend wat zij met haar dochtertje uitspookt. Maar het echte gevaar komt van binnen. Er zit meer dan genoeg Munro in haar schrijverschap.

Elke Geurts Foto Bob Bronshoff

Zelden werd de kinderhaat van een jonge ouder sterker beschreven dan in het titelverhaal uit Elke Geurts drie jaar geleden verschenen bundel Lastmens. Daarin voelde een moeder zich zo opgejaagd door het zandbakbestaan dat ze haar dochtertje voor begon te houden dat ze niet mama was, maar ‘de au pair’. Het verhaal was impliciet, compact en pijnlijk – de school van Alice Munro, zoals sinds vorige week de hele wereld weet.

Veel elementen van dat briljante ‘Lastmens’ zijn terug te vinden in De weg naar zee, de eerste roman van Geurts (1973). Ook hier ontstaat moederliefde niet vanzelf, of gaat die in elk geval gepaard met veel minder prettige en zeker minder salonfähige gevoelens. Er is ook nu weer verwarring over status en klasse en daardoorheen spelen de kleine ongemakken van het moderne leven. De hoofdpersoon van De weg naar zee is de veertigjarige Tessa – dochter van een hoogleraar, maar zelf kapster – die in de zinderende hitte met haar zevenjarige dochter Summer in een bolderkar door de duinen loopt. Het landschap is zwartgeblakerd; er waart een pyromaan tussen Schoorl en Bergen.

Dat het grootste onheil in de moeder schuilt, wordt al snel duidelijk: ‘Kon ze haar dochter ook maar even leeg laten lopen. Het lichaam vastpakken en het net zo lang en hard tegen zich aan houden tot alle lucht eruit verdwenen is. Ze zal haar netjes opvouwen, haar in de strandtas stoppen, om haar weer op te blazen als ze er zijn.’

Tessa huurt ergens verderop een huisje met haar jeugdvriendin Gina en hun beider dochters: ‘Ze trouwden er in hetzelfde jaar en kregen in hetzelfde jaar allebei een dochter. Ze spraken niets af, het ging gewoon zo, hun levens verliepen griezelig parallel.

Tessa was nu bijna een jaar gescheiden. Gina nog niet. Daarin was Tessa haar dus voor.’ De mentale ruïne die in het binnenste van de hoofdpersoon schuilgaat is kolossaal en de oorzaken zijn legio: haar Australische man is teruggekeerd naar zijn continent, ze heeft een diepe obsessie met haar eigen uiterlijk en dat van de kleine Summer, terwijl haar ouders zich onderscheiden door een egocentrisme dat in zijn liefdeloosheid amper grenzen kent.

Aanvankelijk denk je nog dat het de praktische kant van het moederschap is die Tessa aanvliegt, maar de situatie is ingewikkelder, want er is bij de geboorte iets misgegaan met Summer. Althans, daar is Tessa van overtuigd. Wat het kind precies mankeert laat Geurts lang in de schemerzone en is feitelijk ook minder belangrijk: de radicale maatregelen waarmee Tessa de vermeende onvolkomenheden van haar ‘Mini me’ wil wegpoetsen zijn op eigen kracht angstaanjagend genoeg.

De weg naar zee is ondanks de lichte toon een beklemmende roman, waarin de ouderschapsdingetjes steeds meer worden overvleugeld door de alras gevaarlijker aandoende gekte van de hoofdpersoon. De dreiging wordt echter wel over een groot aantal pagina’s uitgesmeerd: Geurts is zo sterk op de korte baan, dat je je afvraagt waarom ze zoveel ruimte heeft genomen. Vrijwel het hele tweede deel van de roman gaat op aan het expliciteren van wat ze eigenlijk in de eerste vijftig pagina’s al heeft laten zien.

Dan volgt er wéér een moeizaam gesprek met de jeugdvriendin, nóg een ouderschapsgebonden paniekaanval, een volgend pijnlijk doktersbezoek. Zo krijg je steeds meer informatie, zonder dat je kennis nog veel toeneemt. Geurts lijkt te onderschatten hoe veel ze in weinig woorden al heeft verteld – en dus gaat ze veel te lang door. Er zit meer dan genoeg Munro in haar schrijverschap, maar bij die kwaliteit hoort ook het vermogen om te zien wanneer een verhaal niet meer beter wordt als het langer wordt.

Tegen het einde van de roman, ook de laatste fase van de helletocht van Tessa met dochter en bolderkar door de duinen, volgt dan nog een mooie hallucinatoire scène, wanneer plotseling een groot idool van Tessa en Summer opduikt: ‘Door de paraplu in zijn hand dreigt hij soms zijn evenwicht te verliezen, maar de glimlach verdwijnt nooit van zijn gezicht. Wat een prachtige man, denkt Tessa, maar wat is hij alleen. Ze heeft nog nooit een eenzamer mens gezien.’ Deze wereldster is afgaande op de geschiedenis van moeder en dochter perfect gecast en zijn gedrag is memorabel. In die scène laat Geurts weer zien hoe goed ze is – en hoe ze in een handomdraai het mysterie terugbrengt dat daarvoor langzaam uit haar net te veel opgeblazen verhaal was gelopen.

    • Arjen Fortuin