Het kán hetzelfde voorteken zijn

Op Zwarte Maandag stortte de keors op Wall Street in.

De verhouding tussen rente en aandelenkoersen lijkt precies op die van 26 jaar geleden.

De grafiek met de Amerikaanse lange rente en de ontwikkeling van deS&P500-index, waar Ruurt Hazewinkel zijn analyses op baseert.

In het kantoor van vermogensbeheerder Optimix buigt Ruurt Hazewinkel buigt zich over een grote grafiek op tafel. Zijn toehoorders buigen met hem mee. De grafiek laat de ontwikkeling zien van twee financiële waarden tussen 1980 en 2011. Een rode lijn toont de S&P 500, de moeder aller aandelenindices. Een blauwe lijn zet de koers uit van de 30-jarige Amerikaanse staatslening, een belangrijke indicator voor de obligatiemarkt.

Vanaf 1981 lopen beide lijnen grofweg gelijk op. In de loop van 1987 gaan ze tegen elkaar in bewegen: de treasury-koers begint scherp te dalen, de S&P 500 stijgt onbekommerd verder. De afloop is bekend. Op maandag 19 oktober 1987 kelderde Wall Street met 23 procent, de grootste koersval binnen één dag.

Hazewinkel beweegt zijn wijsvinger langs de twee lijnen naar rechts, richting 2011. Verdomd, nu zien zijn gasten het ook: precies hetzelfde patroon als toen. Scherp dalende obligatiekoersen bij een doorstijgende aandelenbeurs.

Zal Zwarte Maandag zich binnenkort herhalen, 26 jaar na dato en vijf jaar na de kredietcrisis? „Ik zeg niet dát het gebeurt”, benadrukt Hazewinkel. „Ik zeg dat het zou kúnnen gebeuren.”

De 83-jarige Hazewinkel, de oprichter van Optimix, heeft enig recht van spreken. Zijn bedrijf was in 1987 net uitgegroeid van één beleggingsfonds tot een vermogensbeheerder die zijn klanten een bredere keuze aan beleggingen kon bieden. Hazewinkel maakte zich dat hele jaar al zorgen over de forse daling van de obligatiemarkt, en had het percentage aandelen in de klantenportefeuilles fors teruggebracht. In de week vóór Zwarte Maandag groeide zijn ongerustheid aan „tot een stormwaarschuwing”, zoals hij schrijft in Turning Points (2010), zijn memoires als professioneel belegger. Op de ochtend van de 19de besloot hij ook de laatste aandelenposities van Optimix te liquideren.

Pionier

Met die beslissing werd hij in één dag een legende. Na Zwarte Maandag stroomden nog meer klanten – pensioenfondsen en vermogende particulieren – toe. Nu heeft Optimix 1,6 miljard euro onder beheer. Een enorm bedrag voor een kleine, onafhankelijke firma met slechts dertig medewerkers in vaste dienst. Optimix gaat er prat op het kapitaal van de klanten vanaf de oprichting met gemiddeld 7 procent per jaar te hebben laten groeien – netto, na aftrek van kosten.

Hazewinkel ontwikkelde zijn filosofie vanaf 1956, als Nederlandse pionier van de professionele effectenanalyse. Hij was voorbestemd zijn vader op te volgen als directeur van het familiebedrijf, de uitgeverij van het Dagblad van het Noorden. Hij koos voor de Nederlandsche Handel-Maatschappij, de voorloper van de ABN Bank. En, na een interne opleiding, voor de afdeling effecten. „Ik vond effecten interessant als voorwerp van analyse. Of de koersen stijgen of dalen is niet relevant. Waaróm ze dat doen is de hamvraag.” Hazewinkel verdiepte zich in de VS in methodes en technieken van de aandelenmarkt. Hij leerde Stock Charts kennen, een bouwer van beursgrafieken die teruggaat tot 1933. Stock Charts hanteert een methode die een nauwkeurig beeld van de werkelijke koersontwikkeling oplevert.

Gangbare maat

Dé steeksleutel in zijn gereedschapstas als analist is de MA200, de moving average (het voortschrijdend gemiddelde) van de S&P 500 over tweehonderd dagen. Daalt die met meer dan 5 procent, dan is dat een verkoopsignaal. Stijgt-ie met zo’n percentage, dan is het kopen geblazen. Waarom niet 250 dagen, of 400? Hazewinkel: „Iedere beursweek telt vijf werkdagen. Tweehonderd dagen maakt veertig weken maakt negen maanden.” Dan, met een twinkeling in de ogen: „Dat is een gangbare menselijke maat.” Als analist en belegger beperkt hij zich tot aandelen, obligaties en cash. Optimix doet ook in goud en grondstoffen, al ziet Hazewinkel dat als pure speculatie.

Tijdens de kredietcrisis zat Optimix weer goed, waardoor de firma „veel minder slecht” presteerde dan de meeste rivalen, vertelt Ivan Moen, partner en hoofd beleggingen, die aanwezig is bij het gesprek. Moen vestigde zijn eigen kleine legende door eind 2012, begin 2013 al het goud van Optimix te verkopen, net voordat de goudprijs aan een langdurige glijvlucht begon. „Dat deed ik puur op gevoel, de MA200 gaf geen enkel verkoopsignaal.”

Hazewinkel: „Dat doet-ie ook nooit voor goud, alleen voor aandelen.”

Steekspel

De laatste tijd stijgt de obligatierente k weer wat. Een hogere rente gaat doorgaans hand in hand met een lagere koers, en omgekeerd. Hazewinkel voorziet dat obligaties zullen terugkeren naar een ‘effectief rendement’ – de resultante van hoofdsom, marktrente, couponrente en resterende looptijd – van 3 à 3,5 procent, de norm gedurende tweehonderd jaar. Dan kunnen pensioenfondsen al hun aandelen in feite de deur uit doen, betoogt hij. Er volgt een aardig steekspel tussen Hazewinkel en Moen. Hazewinkel: „Een pensioenfondsbelegger heeft aan 3 tot 3,5 procent in principe genoeg om tot in lengte van jaren aan al zijn pensioenverplichtingen te voldoen.”

Moen: „Dat zeg jij. Ik heb lang bij het ABP gewerkt. Dat moet minstens 7 procent rendement per jaar maken om de pensioenen te kunnen betalen. Door foute beleggingskeuzes en doordat de staat midden jaren 90 een greep in de kas deed. Met alleen obligaties ga je die 7 procent nooit halen.”

Hazewinkel: „Met obligaties van degelijke landen als Nederland en Zwitserland weet je tenminste zeker dat je je geleende geld terugkrijgt. Met aandelen moet je altijd afwachten of een bedrijf niet failliet gaat.”

Moen: „Degelijke landen? Nederland en Zwitserland hebben financiële sectoren als waterhoofden. Misschien lopen die juist wel de grootste kans failliet te gaan. Dat het eeuwenlang goed is gegaan zegt mij niets. Kijk maar naar de impasse in de VS.”

Hazewinkel: „Volgens mij wordt het steeds interessanter om obligaties te kopen.” Plagerig: „Ik weet niet of jullie die conclusie al getrokken hebben. Ik dacht het niet.”

Moen: „Nee, inderdaad.”

Hazewinkel: „Daar was ik al bang voor.”