opinie

    • Renske de Greef

Feest, wijn, fiets, tanden...

Mijn bundel Vraagstukken werd gepresenteerd, de laatste in zijn soort – die ochtend was duidelijk geworden dat ik op deze plek zou gaan stoppen. Het was een rare dag, een combinatie van blijdschap en melancholie, zoals de dag dat je een huis verlaat waar je vier jaar lang met plezier hebt gewoond. Eenmaal op de presentatie besloot ik dat het tijd was voor feest.

En er was feest. En wijn. Nu heb ik altijd een grote bewondering voor mensen die precies weten waar hun grenzen liggen. Die verklaren: „Nou, en dan weet ik: het vijfde glas wodka wordt het laatste, want daarna kan ik alleen nog maar praten over de tekortkomingen van de democratie en hoeveel zin ik heb in een frikandelbroodje.” Helaas ben ik niet één van hen. Ik denk nooit na over grenzen, ik denk: „Hee, mijn glas is leeg! Dan moet ik dus een nieuwe.” De gedachte om dan bijvoorbeeld cola te bestellen, komt niet in me op – waarom zou je cola bestellen als je wijn aan het drinken bent? Dit resulteert af en toe in: op een technofeest bij de dj gaan zeuren om The Backstreet Boys/de liefde verklaren aan onbekenden/denken dat het wél een goed idee is om iemand uit bed te bellen. En na de boekpresentatie resulteerde het in: de foutieve inschatting dat ik best nog wel naar huis kon fietsen.

Het was laat en ik fietste langs een grote, stille weg. Ik weet niet hoe het gebeurde, het was ongetwijfeld lullig, ontzettend lullig – een imaginaire hobbel, ik reed mezelf aan, ik trapte niet hard genoeg – maar: ik viel. Genadeloos kletterde ik op het wegdek, schampte mijn knie, mijn knokkels. Verdoofd en geschrokken bleef ik liggen. Mijn tong voelde het meteen: twee ruwe randjes op mijn boventanden. Ik hield mijn hand voor mijn mond en spuugde ontzet twee kleine scherfjes tand tevoorschijn. „Gaat het?” hoorde ik iemand zeggen. Een man met een verweerd gezicht en warrig grijs haar boog zich over me heen. „Ja”, antwoordde ik afwezig. „Gelukkig”, zei hij. „Mag ik dan een muntje?” Ik klauterde omhoog, de scherfjes nog steeds in mijn hand. „Wat doe jij voor beroep?” vroeg de man. Hij had een stoppelbaard en rook naar drank. „Ik schrijf”, mompelde ik. „Een kunstenaar!” riep hij uit. „Ik ben ook kunstenaar. Ik heb ooit auditie gedaan op de Kleinkunstacademie, maar ik vond dat zij auditie voor mij moesten doen en toen ben ik het niet geworden.” Het drong maar langzaam tot me door: ik had tand in mijn hand. Niet goed. De man besloot inmiddels zijn businessplan te ontvouwen: „Wil je je naam in neonletters? Dat kan ik maken.” Ik pakte mijn fiets weer op, het zadel stond scheef. „Nee, sorry,” zei ik. „Weet je het zeker?” riep hij me achterna, maar ik fietste door.

De volgende dag zat ik in een tandartsstoel waar mijn tanden werden gemaakt en ik dacht aan mijn naam in neonletters.

    • Renske de Greef